Magie & Bezieling’.

Het staat er best goed, dat ik dat aan merken & mensen (terug)geef – zo op mijn profiel. En ja, het klopt geloof ik wel, als ik die mensen en merken mag geloven.

Maar. Maar. Maar.

Die medaille heeft ook een keerzijde. Zo wil de balans nog wel eens doorslaan – sowieso een aandachtspuntje in mijn geval. En dan wordt ‘geven’: leegstromen, weglekken, draaikolken, overspoelen, opgezogen worden. Tot er nog een klein plasje ligt, voor het blote oog niet waarneembaar. Waar dan met moeite nog twee, drie luchtbelletjes uit opborrelen, die uit elkaar spatten tegen de immens hoge, steile en inmiddels al lang opgedroogde wanden aan.

Leeg.
Droog.
Dor.
Craquelé.
Geen zuchtje wind.
Geen greintje lucht.
Op.
Uit.
Geput.

Als het lek eenmaal geslagen is, hozen geen zin meer heeft, er van waterpas allang geen sprake meer is, de daling ingezet, de ijle bodem onder je voeten een hellend vlak wordt – als er teveel gegeven is en je te weinig kreeg, heb ik het altijd veel te laat door.

De signalen zie ik pas achteraf.

Tijdens het dalen van het NAP, word ik altijd narrig. Ziek. Moe. Ga ik slaan, schoppen, tikken uitdelen.
Wegduwen.
Rennen.
Vluchten.
Verliezen.
Door mijn heupen. Mijn knieën. Mijn enkels.
Denken dat het denken alles oplost.
Hap ik naar adem.

Tot de Totale Leegte, Het Grote Niks.

Daar is.

Dan zit ik niet op Facebook, niet op Linkedin, niet op Instagram. Dan is er geen inspiratie. Dan vind ik wel van alles, maar heb ik geen behoefte dat te delen. Er is namelijk niets Uitgesproken aan, zoals normaal. Niks geinigs ook. Niks prikkelends. Niks hilarisch. En er is zelfs geen zelfspot meer. Er is dan alleen maar twijfel. Over keuzes. Gemaakt of nog te maken. Over mezelf. Over de koers. Over wat ik in Godsvredesnaam aan het doen ben. En waarom eigenlijk. En wat ik wel niet denk. Of denk. Of ooit gedacht heb.

Hoe dan, jongen?

Ik zou toch beter moeten weten, inmiddels. Niks ‘story of my life’, maar herschrijven, dat script. De verhalen die je jezelf steeds vertelt. Waarom iets niet zou lukken. Terwijl je De Hele Tijd De Hele Wereld Steeds Vertelt Dat Alles Lukt, Als Je Maar Wilt. En nog laat zien hoe, ook.

Op de verwoeste dorre bodem van De Put, is er dan – toch – altijd weer, jawel… Magie. En Bezieling. Die aan de deur kloppen.

Ik begrijp niet dat die bron maar niet opdroogt. Dat-ie maar blijft doorgaan. Eeuwig, en eeuwig en eeuwig. Altijd. Weer. En misschien moet je dat ook niet willen doorgronden.

Maar als ik de eerste spetters van de koele troost weer op mijn gezicht voel, als het eerste licht de niet gehuilde tranen tóch verdampt, dan is er alleen maar dankbaarheid. Dan is er het Oude Weten, duizenden jaren al, dat Alles Altijd Goed Komt, of beter: Al Is. Dan komen de Lessen weer boven, die er met liefde ingestampt zijn, ook al is dat al jaren terug – levens zelfs, misschien. Je hebt het zelfs in je linker- en je rechteronderarm laten krassen, ooit, in Oost-indische inkt. In Hebreeuws én in je moerstaal. Als spiekbriefje, waar je veel te weinig op kijkt, en notabene op gewezen moet worden door een gast, hier in het Emmausklooster.

Waar ik afgelopen zondag weer landde. Onverwacht in zachtheid werd ontvangen door het gebouw zelf, de dikke muren werkend hoe ze ooit bedoeld waren: als een toevluchtsoord. Waar ik om eerlijk te zijn eerst met enige buikpijn naar toe reed, een hoofd vol eindeloze gedachten, scenario’s, gesprekken, wendingen, keuzes, opties, flarden, een wirwar van sprongen tussen links, rechts, hier, daar, neigingen, instincten, patronen, oud gedrag of: …Nieuw.

Meebewegen en Leren, soepel zijn & Groeien, toegeven & Groter Worden.

Minder Groot Denken.
Minder Groot Maken.
Minder Meeslepend.
Minder Persoonlijk. Nemen.

Niet Vechten.
Niet Vluchten.
Maar ook niet: Bevriezen.

Meer stapje. Voor stapje. Voor stapje. Voor stapje.
Buigen, niet breken. Niet afbreken maar bouwen. Meebouwen.

De witte vlinder aan de binnenkant van het raam, zei bij binnenkomst al dat het goed zou komen.

Maar: ik had nog maar net de dikke deur achter me dichtgedaan, de sleutel nog in mijn hand, een zware tas om mijn hangende schouders. Ik geloofde er nog niks van. Totaal alleen in 300 jaar oude gangen die al vele malen veel erger hadden meegemaakt – ik was een lachertje in vergelijking met de wonderen die hier verschenen, de doden die er vielen, de dromen die gebroken werden. En weer geheeld.

Daar was eerst de avond nog. Die ik door moest zien te worstelen.
Een cel.
Een brits.
Een ruwe deken die al vaker bedekt had.
De mantel.
Der liefde.
Die geen uitweg meer bood
Het doodstille platteland.
Een nacht zo zwart als de nacht.
Een uitreikende grijze hand, met lange nagels, die vingers van stress, krommend om je keel. Mijn keel. Mijn demon. Mijn gevecht. Man tegen man.

De holle, starende, starre ogen.

De leegte van je eigen ziel, de peilloze diepte van je verleden, het totale ontbreken van grond, van stavast, van iets dat je mee had willen krijgen.

Het stille schreeuwen omdat je weet dat niemand je hoort, dat niemand luistert. De wezenloze angst, de schrijnende pijn van gemis, de echo van gebrek.

De rand. Van de afgrond.

En dan winnen. Van je Grootste Vijand.

Jezelf.

Totaal uitgewrongen wakker worden. Alles gegeven. En alles weer gekregen.

Een dag die uitnodigt om de lucht weer in te zuigen, de rug te rechten, weer te gaan staan. Op je poten. Van dat weerzinwekkend oersterke lichaam, dat al 6, 7, 8 keer dood had moeten zijn. Kunnen zijn.

Dat zinnetje dat je laatst bedacht. Voor een klant – dacht je nog. Dat dan door je hoofd zingt: “Je hebt pas verloren als je blijft liggen”. Je eigen glimlach, het diepe besef van heelheid, van rondheid, van de cirkel. Waarin je weer plaatsneemt. Stevig. In het midden. Je eigen Midden.

De dag die je optilt in haar liefdevolle energie, de dag die gewoon haar eigen weg gaat. De dag die je weer welkom heet.

De Magie. Die weer laat zien hoe leuk toveren eigenlijk is. Dat alles en iedereen meedoet aan het Spel waarvan we soms het Grotere Plaatje even niet zien.

De Bezieling die je weer vult, een tsunami van betekenisvolle momenten die je weer toevallen – bekers van plezier, tot de rand gevuld met verwondering die je gulzig leegdrinkt. Die je opeens weer ziet. In hun volle omvang.

Gloria. In Excelsis deo. In plaats van Eli, Eli, Lama Sabachtani.

Het is volbracht. Je zou er bijna weer van gaan geloven (bijna, zei ik).

En dan: de verbindingen, de presenteerblaadjes die zich weer aandienen. De ontmoetingen, weer. De kansen. De mogelijkheden. Het Hogere Doel. De gedeelde belangen. Een Miranda Huijs die beklijft, opeens een rol aanneemt.

De gast die aanklopt, om tien uur ’s avonds. Nog. Moe. Maar duidelijk niet voldaan.

De deur die je zelf weer mag opendoen, mensen die je zelf weer kunt binnenlaten. De klik. De blik. De chemie. De instant connectie met Elisabeth Van’t Hof, die twee seconden geleden nog een volkomen vreemde was.

De Magie.
De Bezieling. De Herkenning.
Die weer vrolijk stromen, huppelend, hand in band, losgelaten, gierend van plezier. De avond met gesprekken die nog nachten, weken, ja levens hadden kunnen duren.

En de nieuwe nacht. Vele malen lichter dan ooit.
De sluier die weer weg is, en de ochtend die het uitschreeuwt. Je uitnodigt, wegen wijst, de verte weer laat zien, je stip op de horizon helder afgetekend.

De koffie.
De stoel.
Het uitzicht over eeuwen tuin, die hier ver na mij ook nog ligt, die zal blijven bloeien en geven – omdat-ie nu eenmaal niks anders kan. Niet beter weet.

De kat. Die ongevraagd op je schoot kruipt.

En de vingers, die opeens weer vanzelf over het toetsenbord glijden.

Op naar Nieuwe Verhalen.

Tagged with →  

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Herbert filosofeert

Terug naar alle artikelen

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Magie & Bezieling’.

Het staat er best goed, dat ik dat aan merken & mensen (terug)geef – zo op mijn profiel. En ja, het klopt geloof ik wel, als ik die mensen en merken mag geloven.

Maar. Maar. Maar.

Die medaille heeft ook een keerzijde. Zo wil de balans nog wel eens doorslaan – sowieso een aandachtspuntje in mijn geval. En dan wordt ‘geven’: leegstromen, weglekken, draaikolken, overspoelen, opgezogen worden. Tot er nog een klein plasje ligt, voor het blote oog niet waarneembaar. Waar dan met moeite nog twee, drie luchtbelletjes uit opborrelen, die uit elkaar spatten tegen de immens hoge, steile en inmiddels al lang opgedroogde wanden aan.

Leeg.
Droog.
Dor.
Craquelé.
Geen zuchtje wind.
Geen greintje lucht.
Op.
Uit.
Geput.

Als het lek eenmaal geslagen is, hozen geen zin meer heeft, er van waterpas allang geen sprake meer is, de daling ingezet, de ijle bodem onder je voeten een hellend vlak wordt – als er teveel gegeven is en je te weinig kreeg, heb ik het altijd veel te laat door.

De signalen zie ik pas achteraf.

Tijdens het dalen van het NAP, word ik altijd narrig. Ziek. Moe. Ga ik slaan, schoppen, tikken uitdelen.
Wegduwen.
Rennen.
Vluchten.
Verliezen.
Door mijn heupen. Mijn knieën. Mijn enkels.
Denken dat het denken alles oplost.
Hap ik naar adem.

Tot de Totale Leegte, Het Grote Niks.

Daar is.

Dan zit ik niet op Facebook, niet op Linkedin, niet op Instagram. Dan is er geen inspiratie. Dan vind ik wel van alles, maar heb ik geen behoefte dat te delen. Er is namelijk niets Uitgesproken aan, zoals normaal. Niks geinigs ook. Niks prikkelends. Niks hilarisch. En er is zelfs geen zelfspot meer. Er is dan alleen maar twijfel. Over keuzes. Gemaakt of nog te maken. Over mezelf. Over de koers. Over wat ik in Godsvredesnaam aan het doen ben. En waarom eigenlijk. En wat ik wel niet denk. Of denk. Of ooit gedacht heb.

Hoe dan, jongen?

Ik zou toch beter moeten weten, inmiddels. Niks ‘story of my life’, maar herschrijven, dat script. De verhalen die je jezelf steeds vertelt. Waarom iets niet zou lukken. Terwijl je De Hele Tijd De Hele Wereld Steeds Vertelt Dat Alles Lukt, Als Je Maar Wilt. En nog laat zien hoe, ook.

Op de verwoeste dorre bodem van De Put, is er dan – toch – altijd weer, jawel… Magie. En Bezieling. Die aan de deur kloppen.

Ik begrijp niet dat die bron maar niet opdroogt. Dat-ie maar blijft doorgaan. Eeuwig, en eeuwig en eeuwig. Altijd. Weer. En misschien moet je dat ook niet willen doorgronden.

Maar als ik de eerste spetters van de koele troost weer op mijn gezicht voel, als het eerste licht de niet gehuilde tranen tóch verdampt, dan is er alleen maar dankbaarheid. Dan is er het Oude Weten, duizenden jaren al, dat Alles Altijd Goed Komt, of beter: Al Is. Dan komen de Lessen weer boven, die er met liefde ingestampt zijn, ook al is dat al jaren terug – levens zelfs, misschien. Je hebt het zelfs in je linker- en je rechteronderarm laten krassen, ooit, in Oost-indische inkt. In Hebreeuws én in je moerstaal. Als spiekbriefje, waar je veel te weinig op kijkt, en notabene op gewezen moet worden door een gast, hier in het Emmausklooster.

Waar ik afgelopen zondag weer landde. Onverwacht in zachtheid werd ontvangen door het gebouw zelf, de dikke muren werkend hoe ze ooit bedoeld waren: als een toevluchtsoord. Waar ik om eerlijk te zijn eerst met enige buikpijn naar toe reed, een hoofd vol eindeloze gedachten, scenario’s, gesprekken, wendingen, keuzes, opties, flarden, een wirwar van sprongen tussen links, rechts, hier, daar, neigingen, instincten, patronen, oud gedrag of: …Nieuw.

Meebewegen en Leren, soepel zijn & Groeien, toegeven & Groter Worden.

Minder Groot Denken.
Minder Groot Maken.
Minder Meeslepend.
Minder Persoonlijk. Nemen.

Niet Vechten.
Niet Vluchten.
Maar ook niet: Bevriezen.

Meer stapje. Voor stapje. Voor stapje. Voor stapje.
Buigen, niet breken. Niet afbreken maar bouwen. Meebouwen.

De witte vlinder aan de binnenkant van het raam, zei bij binnenkomst al dat het goed zou komen.

Maar: ik had nog maar net de dikke deur achter me dichtgedaan, de sleutel nog in mijn hand, een zware tas om mijn hangende schouders. Ik geloofde er nog niks van. Totaal alleen in 300 jaar oude gangen die al vele malen veel erger hadden meegemaakt – ik was een lachertje in vergelijking met de wonderen die hier verschenen, de doden die er vielen, de dromen die gebroken werden. En weer geheeld.

Daar was eerst de avond nog. Die ik door moest zien te worstelen.
Een cel.
Een brits.
Een ruwe deken die al vaker bedekt had.
De mantel.
Der liefde.
Die geen uitweg meer bood
Het doodstille platteland.
Een nacht zo zwart als de nacht.
Een uitreikende grijze hand, met lange nagels, die vingers van stress, krommend om je keel. Mijn keel. Mijn demon. Mijn gevecht. Man tegen man.

De holle, starende, starre ogen.

De leegte van je eigen ziel, de peilloze diepte van je verleden, het totale ontbreken van grond, van stavast, van iets dat je mee had willen krijgen.

Het stille schreeuwen omdat je weet dat niemand je hoort, dat niemand luistert. De wezenloze angst, de schrijnende pijn van gemis, de echo van gebrek.

De rand. Van de afgrond.

En dan winnen. Van je Grootste Vijand.

Jezelf.

Totaal uitgewrongen wakker worden. Alles gegeven. En alles weer gekregen.

Een dag die uitnodigt om de lucht weer in te zuigen, de rug te rechten, weer te gaan staan. Op je poten. Van dat weerzinwekkend oersterke lichaam, dat al 6, 7, 8 keer dood had moeten zijn. Kunnen zijn.

Dat zinnetje dat je laatst bedacht. Voor een klant – dacht je nog. Dat dan door je hoofd zingt: “Je hebt pas verloren als je blijft liggen”. Je eigen glimlach, het diepe besef van heelheid, van rondheid, van de cirkel. Waarin je weer plaatsneemt. Stevig. In het midden. Je eigen Midden.

De dag die je optilt in haar liefdevolle energie, de dag die gewoon haar eigen weg gaat. De dag die je weer welkom heet.

De Magie. Die weer laat zien hoe leuk toveren eigenlijk is. Dat alles en iedereen meedoet aan het Spel waarvan we soms het Grotere Plaatje even niet zien.

De Bezieling die je weer vult, een tsunami van betekenisvolle momenten die je weer toevallen – bekers van plezier, tot de rand gevuld met verwondering die je gulzig leegdrinkt. Die je opeens weer ziet. In hun volle omvang.

Gloria. In Excelsis deo. In plaats van Eli, Eli, Lama Sabachtani.

Het is volbracht. Je zou er bijna weer van gaan geloven (bijna, zei ik).

En dan: de verbindingen, de presenteerblaadjes die zich weer aandienen. De ontmoetingen, weer. De kansen. De mogelijkheden. Het Hogere Doel. De gedeelde belangen. Een Miranda Huijs die beklijft, opeens een rol aanneemt.

De gast die aanklopt, om tien uur ’s avonds. Nog. Moe. Maar duidelijk niet voldaan.

De deur die je zelf weer mag opendoen, mensen die je zelf weer kunt binnenlaten. De klik. De blik. De chemie. De instant connectie met Elisabeth Van’t Hof, die twee seconden geleden nog een volkomen vreemde was.

De Magie.
De Bezieling. De Herkenning.
Die weer vrolijk stromen, huppelend, hand in band, losgelaten, gierend van plezier. De avond met gesprekken die nog nachten, weken, ja levens hadden kunnen duren.

En de nieuwe nacht. Vele malen lichter dan ooit.
De sluier die weer weg is, en de ochtend die het uitschreeuwt. Je uitnodigt, wegen wijst, de verte weer laat zien, je stip op de horizon helder afgetekend.

De koffie.
De stoel.
Het uitzicht over eeuwen tuin, die hier ver na mij ook nog ligt, die zal blijven bloeien en geven – omdat-ie nu eenmaal niks anders kan. Niet beter weet.

De kat. Die ongevraagd op je schoot kruipt.

En de vingers, die opeens weer vanzelf over het toetsenbord glijden.

Op naar Nieuwe Verhalen.

Tagged with →  

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen