Het moet ergens begin november 2009 geweest zijn.

Als ik terug reken dan, vanaf haar sterfdatum – die ik overigens weer op moest zoeken, net.

Want: alles geblocked. Weggeduwd. Stevig in ducktape, tie-wraps, bubbeltjesplastic en donkere plastic archiefdozen van de Ikea weggezet.

In een donkere kelder.

Ergens op de planken van mijn onderbewustzijn.

Ver weg, niet bij te komen, niet per ongeluk over te struikelen. Denk ik dan.

Vergeefs. Elke dag weer.

Een jaar eerder, ergens in 2008 dus, belde ze me vanuit het ziekenhuis, waar ze toen lag. Ik kan me overigens niet herinneren dat ze niet in het ziekenhuis lag, dus voor mij was dat een default-situatie, ook al had ik haar al tientallen jaren niet meer gezien.

Maar goed. Ze belde dus. Dat ze me graag wilde zien.

Natuurlijk hapte ik toe. Na al die jaren. Ik miste haar like hell. En ik wist stiekem wel dat ik haar oogappel was – rebels, onhandelbaar, niet te verteren irritant.

Maar ja.

Ik zie me nog staan, op het station van Zaandam geloof ik.

Het haar keurig in een scheiding voor zo ver mogelijk, de laarzen mooi gepoetst en ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Op weg naar het ziekenhuis, het bezoekuur.

En toen ging de telefoon.

“Priet, priet”.

“Met Herbert”.

“Ja, met je moeder…”

“Hallo, ma, ik ben onderweg hoor”.

“Ja, jongen, ik weet het, daar bel ik ook voor, ik heb nog even nagedacht… doe toch maar niet, kom toch maar niet – als je vader er achter komt…”

Ik heb de uitdrukking ‘onverrichter zake’ nooit begrepen – tot dat moment. En ik weet niet hoe ik die avond naar huis ging. Waarschijnlijk: geblocked.

Of ik heb dat geblocked. Kan ook.

* klik *

Een dik jaar verder, zijn we. Ik bracht Quinten naar zijn moeder in Amsterdam-Zeeburg. De telefoon ging.

“Priet, priet”.

“Met Herbert”.

“Ja, Herbert, Hallo, met X…” (een vriend van de familie)

“Dag X, wat kan ik voor je doen?”.

“Ja, Herbert, ik bel namens je vader en je moeder. Je moeder gaat binnenkort dood, dat wil ze zelf, ze wil je nog één keer zien. En van je vader mag dat nog 20 minuten, aanstaande dinsdag, en ik moet daar bij zijn…”

Ik reed nog net de auto niet in de vangrail, en zei: “Ik bel je zo terug, X”. Ik moest even naar adem happen. En Quinten veilig bij mama afleveren

*klik *

Natuurlijk ben ik er, die volgende dinsdag. In f*cking Schiedam, dat ik al mijn hele leven mijd als de pest. In het ‘Vlietland Ziekenhuis’.

Mooi jasje aan. Natuurlijk. Haar zo warrig mogelijk, mijn mooiste en duurste laarzen, vermoed ik. en ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Ze moest natuurlijk wel denken dat het goed met me ging.

Twintig minuten, heb je. Meneer ‘X’ staat bij de deur, je voelt de adem van je zo gehate vader in zijn nek hijgen. En de jouwe. En die van je moeder.

Zesendertig kilo woog ze nog. Ik kan die aanblik nooit meer van mijn geestesoog wissen. Doorgelegen, gerimpeld, uitgedroogd, vergaan van 30 jaar pijn – klaar om te sterven, klaar om afscheid te nemen.

Wat zeg je dan?

Ze knuffelde me. Voor de eerste keer in haar leven. En vroeg: “…ben je gelukkig jongen, heb je een meisje…?”

Altijd al het zwakke punt geweest. Ik en meisjes. Dat ging natuurlijk niet – ik had nooit een normale band met mijn moeder op kunnen bouwen. Dus: relaties? Hou op, schei uit.

Maar: da’s een ander verhaal. Een heel ander boek. Is voor later,

Want: ja. Je hebt 20 minuten. Meneer ‘X’ staat bij de poort – van de hel. Tijd is kostbaar, en je laat iemand van wie je houdt niet wegglijden met onbeantwoorde vragen.

Dus: “Ja, ma, ik ben supergelukkig, ze is fantastisch, en: ze zorgt heel goed voor me!”.

Toch?

Haha, wie dan? Wat nou ‘ze’…?

Leugenaar. Dat je er bent.

Er was niemand. ‘Ze’ waren op. Je was alleen, weggeduwd, uitgekotst, niet-gezien, dóórzien, een lonely soul in een universum dat van eenzaamheid uit elkaar spatte – opgebruikt, teveel gegeven, nog meer genomen, een vampier eerste klas, en dat alles uit diepe, diepe eenzaamheid. Dat alles voor dat beeld dat zij hier lag – uitgeteerd, opgevreten, ingezweerd, opgebruikt, zichzelf teveel weggegeven.

Zesendertig kilo, drie-en-zeventig jaar, waarvan er 43 teveel waren, onnodig.

Dus: “Ja, ma, ik ben supergelukkig, ze is fantastisch, en: ze zorgt heel goed voor me!”.

Ook mooi: “we hebben het vroeger thuis toch ook wel leuk gehad, hé?”

Dat waren Haar Laatste Woorden.

Echt.

Man, man, man. Laat me niet lachen, het was de hel. Het was donker. Somber. Onveilig. Niet-waar. Gevaarlijk. Het was stress, het was je adem in je keel, het was élk moment een ontploffing verwachten, het was nooit eens een aai over je bol, een compliment, een ‘zetje’, een stimulans – je werd afgekraakt, klein gemaakt, met het gif van angst geïnjecteerd, je werd niet gezien, niet gehoord, genegeerd – vernederd zoals ik afgelopen week – na 51 jaar – voor het eerst begreep.

Waardoor ik begreep dat het ‘gedesorganiseerd/ gedesoriënteerd gehecht’ heet, waardoor mijn leven al 51 jaar zo dodelijk zwaar is – geloof me, van alle problematische hechtingsvormen wil je deze niet, of het minst graag, hoeven te doorleven.

Maar: terug naar het nu. Of naar: begin november 2009, waar we waren. Gebleven. Immers. Wel bij de les blijven, natuurlijk.

Ik. Natuurlijk.

Maar: jullie ook.

“Ja, we hebben het thuis vroeger ook leuk gehad, ma”. Loog ik.

Wat moet je anders?

Je knuffelt nog één keer. Heel diep. En ongemakkelijk. En loopt achteruit de ziekenhuiskamer uit, om nog zo lang mogelijk in haar ogen te kunnen kijken. Twintig minuten waren dat, misschien drieëntwintig omdat ‘Mister X’ coulant en empathisch was – maar hoe haal je in die weinige tijd, in die hooguit 1400 seconden, ooit de voorgaande 25 jaar in?

Kansloos.

Natuurlijk – je neemt al om 12:00 een borrel in ‘Het Sterretje’ in Schiedam, waar zoveel voetstappen van je liggen. Maar: het is nog wat geforceerd. Wat ‘bedacht’.

Mister ‘X’ erbij, en de vrouw die op dat moment aan je zijde staat, en je eigenlijk de liefde wil geven die je zo lang gemist hebt – en wat je maar niet ziet. Het blijft er dus netjes bij 2, en je zakt in de auto naast je geliefde, een beetje prevelend over hoe oneerlijk alles is.

Maar: écht diep snijdt het nog niet.

Dat laat je ook niet gebeuren, natuurlijk. Dus: je doet wat je altijd deed. Je gaat keihard werken.

En op de dag dat ze ‘heen zou gaan’ (die donderdag na die dinsdag) heb je nog de moed, de rust, het respect, het vermogen en de tegenwoordigheid van geest om op het strand te lopen. In gedachten bij haar. Bij haar ziel, die wegvliegt – terugvliegt, thuiskomt, eindelijk rust heeft. Je maakt met de hak van je laars een kruis in het zand, en gaat naar huis. Wat dat ook mag zijn.

Voor jou.

Voor haar.

Je werkt je 3 weken de tiefus – toevallig ook omdat er een campagne om je aandacht vraagt die viraal lijkt te gaan via Geen Stijl. Dat wat je kent, dat wat je zo goed kunt. Je duikt headfirst in de diepe put van je valkuil – die bodemloze put van ontkenning en zwarte melancholie, gedempt met en ondergedompeld in vrouwen, drank, drugs en zogenaamd Belangrijke Campagnes.

Niemand kan je wat maken. Wat denken ze wel niet?

En dan is het opeens 3 weken later.

Je wordt gebeld.

“Priet, priet”

“Met Herbert”.

“Ja, Met je broer. Je moeder is net overleden…”

(…)

(…)

(…)

“Eh… wacht even … dus jij wilt beweren dat Ma nog drie weken geleefd heeft, terwijl ik dat niet wist, en ik nog 3 weken dag en nacht aan haar bed had kunnen zitten om tenminste nog iets van de afgelopen 25 jaar in te halen…?”.

“Ja, dat klopt Herbert, ik mocht dat niet vertellen van Pa…”

Genageld.

Aan de grond.

Je ziet jezelf nog steeds staan. Elke vouw in je broek, je onderkin, je gedrapeerde haardos, je zorgvuldig uitgezochte jasje – die dag.

In het gestolde zonlicht van een moment dat je nooit meer uit je onderbewuste gekrast krijgt.

Ijs.

Zwart.

Leegte.

Onmacht.

Ongeloof.

Woede.

En 25 jaar ontkenning die in een onmetelijk machtige wurggreep je adem afsnijden, je zenuwen gijzelen, je lichaam optillen – wat nou bevriezen, vluchten of vechten?

Er blijkt buiten DSM5 nog een vierde instinctieve reactie te zijn, die véél verder gaat dan die andere drie: het niet trekken. Een nieuwe visie, een wetenschappelijke ontdekking, een staat van geest die de grenzen van humaniteit, van de rekbare ziel vele malen overschreden heeft – zo vaak, zo heftig, dat de navelstarende beroepsgroep waarbij we met regelmaat op een divan liggen er versteld van staat, een appendix nooit genoeg gaat zijn.

Vluchten? Waarheen? Het woord toevluchtsoord ken je alleen uit de Dikke Van Dale. Spellen lukt niet – een vaag woordbeeld dook weleens op, en verdween net zo snel als het er nooit had kunnen landen. In je fluïde, getormenteerde en niet geaarde geest.

Vechten? Waartegen? Met wie? Er was nooit iets. Ja, lucht. Klappen die niet aankwamen, nooit iets raakten, nodeloos geklauw en gemaai met dodelijke gebalde vuisten in de vacuüm getrokken marge van je eigen bewustzijn, versus de realiteit. Zinloos. Nul punten. Geen hits. Alleen een niet beklommen podium, een nooit gegordelde Kampioensriem, een lege huls van nauwelijks bebloede handschoenen die in je eigen beleving honderden demonen knock-out sloegen.

Bevriezen? Dat deed je toch al 26 jaar? Stilstaan? In het middelpunt van de belangstelling? Pas op de plaats, niet kunnen bewegen, starend in de aanstormende koplampen van het leed dat je gaat overrijden, dat je uiteindelijk inhaalde vanuit je jeugd en je vermorzelt. Terwijl je het over je heen laat komen – het chassis dat je openrijt welkom heet en al smeltend op het asfalt één wordt met de nodeloosheid van het lot? Pats. Boem. Versteend. Weg.

Nee.

Die vierde neemt je over. Het ‘niet-trekken’.

De tegen alle denkbare plafonds van de menselijke ziel, de flexibiliteit van de geest, de verbazende mobiliteit van incasseringsvermogen oplopende onmacht.

Ijs.

Dus.

Zwart.

Leegte.

Onmacht.

Ongeloof.

Woede.

Je valt terug in een patroon dat je al 10 jaar succesvol terzijde wist te zetten.

Hijgend.

Er is maar één verlangen. Verdoving. Hoe dan ook. Uitschakeling van het denken, vermorzeling van het voelen. Doodgaan, voor even. Niks meer voelen.

Dus stap je in de auto. Naar Amsterdam.

De goot.

De rand.

Van de afgrond.

Je weet het. En toch.

Vlak voordat je alle dealers in je telefoon hebt kunnen bereiken, je staat nog broodnuchter voor een avondwinkel om de alcohol in te slaan die straks de chemie van alles wat je tot je gaat nemen in elke denkbare lichaamsopening een werkbare modus gaat geven, gaat je telefoon.

“Priet, priet”.

En voor het eerst in je leven, zie je op het scherm van je mobiele telefoon (je was uiteraard één van de eersten) het nummer van je ouderlijk huis: 010-4702029. Nul tien, vier, zeventig, twintig, negentwintig. Echt. Je koppelt daar meteen aan: “Griepplein 131, 3122VN, Schiedam”. Zo gaat dat, met trauma’s.

“Met Herbert”.

“Ja, met je vader. Je moeder is net overleden”.

(…)

(…)

(…)

“Ja, dat weet ik, en jij weet ook dat ik dat weet, dus waarom bel je me dan?”.

“Ik wilde vragen of jij dan de kist met je broers wilde dragen en je zoon mee wilt nemen?”

Vanaf daar moment gaat alles op zwart. Niet op rood, nee: op zwart.

Ik ben vier dagen de weg kwijt geweest en dankzij Sander Willems en Janneke Cremers blijven leven.

Ik ‘had’ het er laatst nog met haar over. Je wilt niet weten.

Dus: vraag me niet waar ik was. Ik schrijf er nog weleens een boek over, hoewel ik er zelf niets meer van weet.

Maar op dag 5, de dag van de begrafenis, stond ik er natuurlijk.

Mooi jasje aan. Natuurlijk.

Haar zo warrig mogelijk, mijn mooiste en duurste laarzen, vermoed ik. En ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Ze moest natuurlijk wel denken dat het goed met me ging.

Het lukte me om de vierde man aan de koperen handvatten te zijn, en met ingehouden adem de ceremonie bij te mogen wonen. Als een buitenstaander, een schim, een vechtende, vluchtende en bevriezende lege geest.

Het is nu 12 jaar geleden.

Tijd om écht afscheid te nemen, te vergeven. Onder ogen te zien.

Twaalf plus een kleine vijftien jaar geen Moederdag.

Vijfentwintig, zesentwintig, zeventwintig jaar van ontkenning en diepe eenzaamheid. Waarin ik elk jaar een lelijk schilderij had willen maken, of met een aanbieding van de Etos – lelijk en onzorgvuldig ingepakt – had willen aankomen.

Of met niks.

Of met 3 weken extra tijd.

Aan haar bed.

Rust zacht, Ma.

Dan doe ik het ook, vanaf nu,

Liefs.

Sterkte.

Je.

Zoon.

H(ug).

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Herbert filosofeert

Terug naar alle artikelen

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Het moet ergens begin november 2009 geweest zijn.

Als ik terug reken dan, vanaf haar sterfdatum – die ik overigens weer op moest zoeken, net.

Want: alles geblocked. Weggeduwd. Stevig in ducktape, tie-wraps, bubbeltjesplastic en donkere plastic archiefdozen van de Ikea weggezet.

In een donkere kelder.

Ergens op de planken van mijn onderbewustzijn.

Ver weg, niet bij te komen, niet per ongeluk over te struikelen. Denk ik dan.

Vergeefs. Elke dag weer.

Een jaar eerder, ergens in 2008 dus, belde ze me vanuit het ziekenhuis, waar ze toen lag. Ik kan me overigens niet herinneren dat ze niet in het ziekenhuis lag, dus voor mij was dat een default-situatie, ook al had ik haar al tientallen jaren niet meer gezien.

Maar goed. Ze belde dus. Dat ze me graag wilde zien.

Natuurlijk hapte ik toe. Na al die jaren. Ik miste haar like hell. En ik wist stiekem wel dat ik haar oogappel was – rebels, onhandelbaar, niet te verteren irritant.

Maar ja.

Ik zie me nog staan, op het station van Zaandam geloof ik.

Het haar keurig in een scheiding voor zo ver mogelijk, de laarzen mooi gepoetst en ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Op weg naar het ziekenhuis, het bezoekuur.

En toen ging de telefoon.

“Priet, priet”.

“Met Herbert”.

“Ja, met je moeder…”

“Hallo, ma, ik ben onderweg hoor”.

“Ja, jongen, ik weet het, daar bel ik ook voor, ik heb nog even nagedacht… doe toch maar niet, kom toch maar niet – als je vader er achter komt…”

Ik heb de uitdrukking ‘onverrichter zake’ nooit begrepen – tot dat moment. En ik weet niet hoe ik die avond naar huis ging. Waarschijnlijk: geblocked.

Of ik heb dat geblocked. Kan ook.

* klik *

Een dik jaar verder, zijn we. Ik bracht Quinten naar zijn moeder in Amsterdam-Zeeburg. De telefoon ging.

“Priet, priet”.

“Met Herbert”.

“Ja, Herbert, Hallo, met X…” (een vriend van de familie)

“Dag X, wat kan ik voor je doen?”.

“Ja, Herbert, ik bel namens je vader en je moeder. Je moeder gaat binnenkort dood, dat wil ze zelf, ze wil je nog één keer zien. En van je vader mag dat nog 20 minuten, aanstaande dinsdag, en ik moet daar bij zijn…”

Ik reed nog net de auto niet in de vangrail, en zei: “Ik bel je zo terug, X”. Ik moest even naar adem happen. En Quinten veilig bij mama afleveren

*klik *

Natuurlijk ben ik er, die volgende dinsdag. In f*cking Schiedam, dat ik al mijn hele leven mijd als de pest. In het ‘Vlietland Ziekenhuis’.

Mooi jasje aan. Natuurlijk. Haar zo warrig mogelijk, mijn mooiste en duurste laarzen, vermoed ik. en ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Ze moest natuurlijk wel denken dat het goed met me ging.

Twintig minuten, heb je. Meneer ‘X’ staat bij de deur, je voelt de adem van je zo gehate vader in zijn nek hijgen. En de jouwe. En die van je moeder.

Zesendertig kilo woog ze nog. Ik kan die aanblik nooit meer van mijn geestesoog wissen. Doorgelegen, gerimpeld, uitgedroogd, vergaan van 30 jaar pijn – klaar om te sterven, klaar om afscheid te nemen.

Wat zeg je dan?

Ze knuffelde me. Voor de eerste keer in haar leven. En vroeg: “…ben je gelukkig jongen, heb je een meisje…?”

Altijd al het zwakke punt geweest. Ik en meisjes. Dat ging natuurlijk niet – ik had nooit een normale band met mijn moeder op kunnen bouwen. Dus: relaties? Hou op, schei uit.

Maar: da’s een ander verhaal. Een heel ander boek. Is voor later,

Want: ja. Je hebt 20 minuten. Meneer ‘X’ staat bij de poort – van de hel. Tijd is kostbaar, en je laat iemand van wie je houdt niet wegglijden met onbeantwoorde vragen.

Dus: “Ja, ma, ik ben supergelukkig, ze is fantastisch, en: ze zorgt heel goed voor me!”.

Toch?

Haha, wie dan? Wat nou ‘ze’…?

Leugenaar. Dat je er bent.

Er was niemand. ‘Ze’ waren op. Je was alleen, weggeduwd, uitgekotst, niet-gezien, dóórzien, een lonely soul in een universum dat van eenzaamheid uit elkaar spatte – opgebruikt, teveel gegeven, nog meer genomen, een vampier eerste klas, en dat alles uit diepe, diepe eenzaamheid. Dat alles voor dat beeld dat zij hier lag – uitgeteerd, opgevreten, ingezweerd, opgebruikt, zichzelf teveel weggegeven.

Zesendertig kilo, drie-en-zeventig jaar, waarvan er 43 teveel waren, onnodig.

Dus: “Ja, ma, ik ben supergelukkig, ze is fantastisch, en: ze zorgt heel goed voor me!”.

Ook mooi: “we hebben het vroeger thuis toch ook wel leuk gehad, hé?”

Dat waren Haar Laatste Woorden.

Echt.

Man, man, man. Laat me niet lachen, het was de hel. Het was donker. Somber. Onveilig. Niet-waar. Gevaarlijk. Het was stress, het was je adem in je keel, het was élk moment een ontploffing verwachten, het was nooit eens een aai over je bol, een compliment, een ‘zetje’, een stimulans – je werd afgekraakt, klein gemaakt, met het gif van angst geïnjecteerd, je werd niet gezien, niet gehoord, genegeerd – vernederd zoals ik afgelopen week – na 51 jaar – voor het eerst begreep.

Waardoor ik begreep dat het ‘gedesorganiseerd/ gedesoriënteerd gehecht’ heet, waardoor mijn leven al 51 jaar zo dodelijk zwaar is – geloof me, van alle problematische hechtingsvormen wil je deze niet, of het minst graag, hoeven te doorleven.

Maar: terug naar het nu. Of naar: begin november 2009, waar we waren. Gebleven. Immers. Wel bij de les blijven, natuurlijk.

Ik. Natuurlijk.

Maar: jullie ook.

“Ja, we hebben het thuis vroeger ook leuk gehad, ma”. Loog ik.

Wat moet je anders?

Je knuffelt nog één keer. Heel diep. En ongemakkelijk. En loopt achteruit de ziekenhuiskamer uit, om nog zo lang mogelijk in haar ogen te kunnen kijken. Twintig minuten waren dat, misschien drieëntwintig omdat ‘Mister X’ coulant en empathisch was – maar hoe haal je in die weinige tijd, in die hooguit 1400 seconden, ooit de voorgaande 25 jaar in?

Kansloos.

Natuurlijk – je neemt al om 12:00 een borrel in ‘Het Sterretje’ in Schiedam, waar zoveel voetstappen van je liggen. Maar: het is nog wat geforceerd. Wat ‘bedacht’.

Mister ‘X’ erbij, en de vrouw die op dat moment aan je zijde staat, en je eigenlijk de liefde wil geven die je zo lang gemist hebt – en wat je maar niet ziet. Het blijft er dus netjes bij 2, en je zakt in de auto naast je geliefde, een beetje prevelend over hoe oneerlijk alles is.

Maar: écht diep snijdt het nog niet.

Dat laat je ook niet gebeuren, natuurlijk. Dus: je doet wat je altijd deed. Je gaat keihard werken.

En op de dag dat ze ‘heen zou gaan’ (die donderdag na die dinsdag) heb je nog de moed, de rust, het respect, het vermogen en de tegenwoordigheid van geest om op het strand te lopen. In gedachten bij haar. Bij haar ziel, die wegvliegt – terugvliegt, thuiskomt, eindelijk rust heeft. Je maakt met de hak van je laars een kruis in het zand, en gaat naar huis. Wat dat ook mag zijn.

Voor jou.

Voor haar.

Je werkt je 3 weken de tiefus – toevallig ook omdat er een campagne om je aandacht vraagt die viraal lijkt te gaan via Geen Stijl. Dat wat je kent, dat wat je zo goed kunt. Je duikt headfirst in de diepe put van je valkuil – die bodemloze put van ontkenning en zwarte melancholie, gedempt met en ondergedompeld in vrouwen, drank, drugs en zogenaamd Belangrijke Campagnes.

Niemand kan je wat maken. Wat denken ze wel niet?

En dan is het opeens 3 weken later.

Je wordt gebeld.

“Priet, priet”

“Met Herbert”.

“Ja, Met je broer. Je moeder is net overleden…”

(…)

(…)

(…)

“Eh… wacht even … dus jij wilt beweren dat Ma nog drie weken geleefd heeft, terwijl ik dat niet wist, en ik nog 3 weken dag en nacht aan haar bed had kunnen zitten om tenminste nog iets van de afgelopen 25 jaar in te halen…?”.

“Ja, dat klopt Herbert, ik mocht dat niet vertellen van Pa…”

Genageld.

Aan de grond.

Je ziet jezelf nog steeds staan. Elke vouw in je broek, je onderkin, je gedrapeerde haardos, je zorgvuldig uitgezochte jasje – die dag.

In het gestolde zonlicht van een moment dat je nooit meer uit je onderbewuste gekrast krijgt.

Ijs.

Zwart.

Leegte.

Onmacht.

Ongeloof.

Woede.

En 25 jaar ontkenning die in een onmetelijk machtige wurggreep je adem afsnijden, je zenuwen gijzelen, je lichaam optillen – wat nou bevriezen, vluchten of vechten?

Er blijkt buiten DSM5 nog een vierde instinctieve reactie te zijn, die véél verder gaat dan die andere drie: het niet trekken. Een nieuwe visie, een wetenschappelijke ontdekking, een staat van geest die de grenzen van humaniteit, van de rekbare ziel vele malen overschreden heeft – zo vaak, zo heftig, dat de navelstarende beroepsgroep waarbij we met regelmaat op een divan liggen er versteld van staat, een appendix nooit genoeg gaat zijn.

Vluchten? Waarheen? Het woord toevluchtsoord ken je alleen uit de Dikke Van Dale. Spellen lukt niet – een vaag woordbeeld dook weleens op, en verdween net zo snel als het er nooit had kunnen landen. In je fluïde, getormenteerde en niet geaarde geest.

Vechten? Waartegen? Met wie? Er was nooit iets. Ja, lucht. Klappen die niet aankwamen, nooit iets raakten, nodeloos geklauw en gemaai met dodelijke gebalde vuisten in de vacuüm getrokken marge van je eigen bewustzijn, versus de realiteit. Zinloos. Nul punten. Geen hits. Alleen een niet beklommen podium, een nooit gegordelde Kampioensriem, een lege huls van nauwelijks bebloede handschoenen die in je eigen beleving honderden demonen knock-out sloegen.

Bevriezen? Dat deed je toch al 26 jaar? Stilstaan? In het middelpunt van de belangstelling? Pas op de plaats, niet kunnen bewegen, starend in de aanstormende koplampen van het leed dat je gaat overrijden, dat je uiteindelijk inhaalde vanuit je jeugd en je vermorzelt. Terwijl je het over je heen laat komen – het chassis dat je openrijt welkom heet en al smeltend op het asfalt één wordt met de nodeloosheid van het lot? Pats. Boem. Versteend. Weg.

Nee.

Die vierde neemt je over. Het ‘niet-trekken’.

De tegen alle denkbare plafonds van de menselijke ziel, de flexibiliteit van de geest, de verbazende mobiliteit van incasseringsvermogen oplopende onmacht.

Ijs.

Dus.

Zwart.

Leegte.

Onmacht.

Ongeloof.

Woede.

Je valt terug in een patroon dat je al 10 jaar succesvol terzijde wist te zetten.

Hijgend.

Er is maar één verlangen. Verdoving. Hoe dan ook. Uitschakeling van het denken, vermorzeling van het voelen. Doodgaan, voor even. Niks meer voelen.

Dus stap je in de auto. Naar Amsterdam.

De goot.

De rand.

Van de afgrond.

Je weet het. En toch.

Vlak voordat je alle dealers in je telefoon hebt kunnen bereiken, je staat nog broodnuchter voor een avondwinkel om de alcohol in te slaan die straks de chemie van alles wat je tot je gaat nemen in elke denkbare lichaamsopening een werkbare modus gaat geven, gaat je telefoon.

“Priet, priet”.

En voor het eerst in je leven, zie je op het scherm van je mobiele telefoon (je was uiteraard één van de eersten) het nummer van je ouderlijk huis: 010-4702029. Nul tien, vier, zeventig, twintig, negentwintig. Echt. Je koppelt daar meteen aan: “Griepplein 131, 3122VN, Schiedam”. Zo gaat dat, met trauma’s.

“Met Herbert”.

“Ja, met je vader. Je moeder is net overleden”.

(…)

(…)

(…)

“Ja, dat weet ik, en jij weet ook dat ik dat weet, dus waarom bel je me dan?”.

“Ik wilde vragen of jij dan de kist met je broers wilde dragen en je zoon mee wilt nemen?”

Vanaf daar moment gaat alles op zwart. Niet op rood, nee: op zwart.

Ik ben vier dagen de weg kwijt geweest en dankzij Sander Willems en Janneke Cremers blijven leven.

Ik ‘had’ het er laatst nog met haar over. Je wilt niet weten.

Dus: vraag me niet waar ik was. Ik schrijf er nog weleens een boek over, hoewel ik er zelf niets meer van weet.

Maar op dag 5, de dag van de begrafenis, stond ik er natuurlijk.

Mooi jasje aan. Natuurlijk.

Haar zo warrig mogelijk, mijn mooiste en duurste laarzen, vermoed ik. En ik denk ook: een geurtje. En een bosje bloemen. Natuurlijk. Ze moest natuurlijk wel denken dat het goed met me ging.

Het lukte me om de vierde man aan de koperen handvatten te zijn, en met ingehouden adem de ceremonie bij te mogen wonen. Als een buitenstaander, een schim, een vechtende, vluchtende en bevriezende lege geest.

Het is nu 12 jaar geleden.

Tijd om écht afscheid te nemen, te vergeven. Onder ogen te zien.

Twaalf plus een kleine vijftien jaar geen Moederdag.

Vijfentwintig, zesentwintig, zeventwintig jaar van ontkenning en diepe eenzaamheid. Waarin ik elk jaar een lelijk schilderij had willen maken, of met een aanbieding van de Etos – lelijk en onzorgvuldig ingepakt – had willen aankomen.

Of met niks.

Of met 3 weken extra tijd.

Aan haar bed.

Rust zacht, Ma.

Dan doe ik het ook, vanaf nu,

Liefs.

Sterkte.

Je.

Zoon.

H(ug).

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen