Tot 10 minuten voor z’n dood, hield mijn vader actielijstjes bij.

Echt.

Die ochtend nog, droeg hij mijn oudste broer Leo op om koekjes bij de Albert Heijn te halen, voor als de uitvaartondernemer de volgende dag bij ons langs zou komen.

“Hier is 5 euro, wisselgeld terug in het potje, bonnetje bewaren”.

Broer Cees, de middelste, kreeg de opdracht om alle planten te verzamelen in de kastenkamer – die waren voor Tante Nel.

Waar hij mij op uitstuurde, weet ik niet meer. Ik was als verdoofd. Wat in die tijd overigens sowieso schering en inslag was. Er zijn jaren langs me heen gegleden in een waas van verbijstering met een bijbehorend consumptiepatroon – de pijn was toen nog te groot om op een volwassen manier mee te kunnen dealen (let op de woordspeling).

Ik kan het nog wel terugzoeken. Ik heb alles gefilmd. Drie dagen lang. Met mijn iPhone, steunend tegen een kopje. Stiekem.

Het is al bijna 10 jaar geleden, maar ik kan er nog steeds niet naar kijken.

Er zijn me nog twee dingen bijgebleven.

De schok van herkenning, toen ik voor hem zat. Na jaren van afwezigheid – zowel van hem, als van mij. De verbeten trek om zijn mond, dat stapeltje papier voor hem, waar hij driftig met blauwe pen de ene actie na de andere doorhaalde. Ik weet nog dat ik dacht: “Wat gestoord, eigenlijk… actielijstjes – als er één ding dus zeker is in het leven, is dat je ze nooit af krijgt”. Ik nam me voor om op mijn actielijstje te zetten, dat ik nooit meer actielijstjes zou gebruiken.

Het staat er nog steeds.

Het andere heeft 9 jaar lang in mijn onderbewuste zitten zeuren, om aandacht. Bijna dagelijks drong de scene zich aan me op, in een flits, die ik dan wegwuifde. Verdrong. Verstopte.

Mijn oudste broer Leo, die per ongeluk met zijn schouder een fotolijstje op de muur tegenover mijn vader raakt. Waardoor het lijstje bijna van de muur valt. Op de foto: Leo, Cees en ik. Drie broertjes, een jaar of 18, 13 en 7, geloof ik. Mijn vader die, 5 minuten voor zijn dood nog half overeind komt uit zijn sterfbed, en naar hem sneert: “…wat ben je toch ook een …!” Hij slikte het geloof ik in. Zelfs hij besefte op het laatste moment, dat het zijn laatste moment was. En dat je dat niet kon maken. Althans: dat hou ik mezelf maar voor. Ik moet er de film maar eens op naslaan, maar er zijn duizenden woorden langs gekomen, in al die jaren. Maar vooral het beeld, van mijn broer, een destijds al volwassen man van een jaar of vijftig, die ineenkrimpt. Op alle mogelijke manieren denkbaar.

Een paar maanden geleden zag ik opeens de diepere betekenis en begreep ik de reden waarom het beeld maar dag en nacht maar terug bleef komen. Hardnekkig, zuigend, zeurend, jankend, steeds harder in mijn ballen trappend.

Het wilde me iets zeggen.

En toen ik het eindelijk hoorde, er eindelijk naar kon luisteren, voelde ik opeens alleen maar Liefde. En Begrip. Ja, Zachtheid zelfs.

Voor mijn broers. Voor mijn vader. Voor zijn vader. En voor generaties van Hoogdalem’s die bloedlijn na bloedlijn, tijdsgewricht na tijdsgewricht worstelen met een Loden Last, een ongekend verdriet, een zich door de geschiedenis vretende parasiet van niet te harden pijn, vertaald in Grote Afwezigheid.

Ze zeggen dat mensen die dood gaan, hun hele leven in een film aan zich voorbij zien trekken. Ik kan je vertellen: dat kan ook als je nog springlevend bent. En nog zeker 30, 40 jaar te gaan hebt.

Broodnuchter schoot ik in een soort trip. Paddestoelen, Ayahuasca of LSD: ik ken het niet, maar ik kan me voorstellen dat het er zo uitziet. In een soort van tijdloze dimensie die voor mijn gevoel 100 jaar duurde maar in werkelijkheid een split second was, klikten tientallen bontgekleurde puzzelstukjes met een donderend geraas in elkaar.

Alles.

Helder.

Opeens.

Mijn vader die mij altijd wegduwde. Ontkende. Niet zag staan. Die afwezig was.

Ik die hem hartgrondig ontkende, intens haatte, tevergeefs deed alsof-ie niet bestond.

De rollen die ik omkeerde, met mijn broers. De plek van jongste, die ik weigerde in te nemen.

Eén van mijn eigen zoons, voor wie ik nu net zo afwezig ben als mijn vader voor mij was.

De geschiedenis die zich herhaalt.

En herhaalt.

En herhaalt.

En herhaalt.

Totdat er ‘iemand’ ingrijpt.

Ik denk dat ik wel weet wie ‘die iemand’ gaat zijn. Moet gaan zijn, zelfs.

En wel: Nu.

-.-

Dat dat ‘nu’ al aan het meewerken is, merk ik de laatste maanden steeds meer. Het Is De Hoogste Tijd.

Steeds meer signalen, komen er op mijn pad.

Zo zat ik een paar maanden geleden met een fotografe koffie te drinken, die duidelijk op zoek was naar vervulling. Naar verdieping, naar verbijzondering, naar een manier om haar talent in te kunnen zetten om haar pijn, haar trauma’s, de wonden van haar jeugd een plek te geven en daar de rest van de onveilig gehechte wereld (wie is het niet, eigenlijk?) een pleister mee aan te reiken – geen doekje voor het bloeden, maar een zuiverende, ontsmettende, reinigende en louterende spiegel van begrip.

Het mooie aan gekwetste mensen, is dat ze vaak een creatieve gave hebben. Logisch, je moet als kind een manier vinden om te ontsnappen aan de rauwe werkelijkheid, aan de doffe pijn, aan de verkillende deken van onmacht.

Zelf ben ik ook niet voor niks gaan schrijven.

De fotografe en ik bedachten een boek. Een project. Een levenswerk, bijna. Niet zozeer voor ons, maar meer voor de talloze verbroken relaties die erop wachten om geheeld te worden – en als dat niet gaat, dan in elk geval in beeld gebracht.

‘Familie Opstellingen’, heet het. Werktitel nog, maar toch: hij komt in de buurt.

De bedoeling is dat we familieleden die elkaar niet (meer willen) zien, gaan fotograferen. Nee, niet tegelijk. Je wilt elkaar immers niet (meer) zien, en als iemand daar begrip voor heeft, ben ik het. Je komt elkaar dus niet tegen, niet onder ogen, je hoeft niet bang te zijn dat je de confrontatie aanmoet. Maar: je komt uiteindelijk wél samen in één foto.

Dat je je eigen boek kunt ophalen, als je model hebt gestaan, bij de vernissage en de opening van de expositie, is natuurlijk wél een mooie gelegenheid om de andere familieleden die het boek ook willen hebben, wél te ontmoeten. Maar het hoeft niet. Sterker nog: dat is verre van de bedoeling van het project – we gaan alle respect hebben voor privacy, individuele wensen en eventuele ‘no go area’s’.

Bij de foto’s, die ongetwijfeld bijzonder gaan worden, ga ik je verhaal optekenen. Dat zullen ongetwijfeld hartverscheurende en ultrapijnlijke stukjes geschiedenis zijn – de één wat groter dan de andere. Maar: daar kan ik wel wat mee, daar heb ik wel een handje van.

-.-

Waar ik ook ‘iets’ mee heb, zijn Opstellingen, is Systemisch Werk. Als ras-scepticus, vooral op het zogenaamd ‘spirituele’ vlak, ging ik zwaar in de remmen toen het onderwerp aan de orde kwam, tijdens mijn opleiding.

Maar ja. Je kan hoog en laag springen. Als je het eenmaal zelf hebt meegemaakt, hebt ondergaan, aan de lijve hebt ondervonden én als je het bij anderen hebt mogen doen of zien gebeuren, houd je je mond voortaan wel. Wijselijk, zelfs. Sommige zaken tussen hemel en aarde zijn nu eenmaal (nog) niet rationeel of wetenschappelijk te verklaren. Die voel je. Gewoon.

Nog een voorbeeldje? Van die signalen? Voordat ik écht aan zo’n project begin, ga ik natuurlijk wel te rade bij echte experts. Autoriteiten op hun vakgebied, om te voorkomen dat we ‘zomaar iets doen’.

Zo zat ik een paar weken geleden in de auto, op weg naar Nienke Binkhorst. Niet de minste, op dit gebied. Ik was koud een half uurtje op weg, toen de telefoon ging.

Mijn hart stond stil.

Op het scherm stond: ‘Leo van Hoogdalem’.

Mijn broer.

Belt.

Al een jaar of tien niet meer gesproken en gezien, geloof ik, en uitgerekend als ik onderweg ben voor een project ‘Familie Opstellingen’ belt-ie. Het moet niet gekker worden.

Natuurlijk nam ik niet op.

Ik ben en blijf een van Hoogdalem. Een bloedirritante, fucking eigenwijze, stijfkoppige, bloed-onder-je-nagels-vandaan-halende klootzak, die je blijft negeren als-ie je eenmaal in het hokje ‘Eens Maar Nooit Weer’ heeft gestopt. Mijn vader moet het van iemand meegekregen hebben, immers.

Wel stopte ik de auto langs de kant van de weg. Om trillend een Camel uit het pakje te vissen, en even heel diep adem te halen. Vol verdovende rook, om mijn samentrekkende, imploderende maag maar niet te hoeven voelen.

Toen ik pas 4 dagen later (een lafbek ben ik) de moed vond om de voicemail af te luisteren, bleek het Godbetert een ‘broekzakbelletje’.

De aperte waanzin.

Natuurlijk: zoiets kan gebeuren. Het leert me in elk geval dat mijn nummer tenminste nog in zijn telefoon staat. Maar… uitgerekend op dát moment? Waarom niet 16 uur, 3 dagen of 2 weken eerder? Of later? Ik schreef het al eens eerder: God speelt rare spelletjes.

-.-

Goed, hoe het mij, mijn broers en mijn middelste zoon zal vergaan de komende maanden, laat ik nog wel weten. Daar gaat het nu even niet om.

Waar het wel om gaat, is dat we dus familieleden zoeken die elkaar niet (meer willen) zien. Is dat we schurende verhalen zoeken, die woorden mogen krijgen. Die aan papier, aan de eeuwigheid mogen worden toevertrouwd. Die gevangen mogen worden in één fascinerend beeld, waar je toch als familie instaat. Zonder dat je elkaar onder ogen kwam.

Waarom ik zelf niet meedoe? Niet model ga staan?

Omdat voor mij het verhaal nog steeds te dichtbij komt.

Ik ben er nog niet aan toe. Om het op te tekenen. Ik denk dat ik door de tranen, de pijn en de rode waas van spijt, onmacht, woede en vergeefsheid, mijn scherm niet eens meer zie. Dan kan ik wel blind kunnen typen, zonder uitzicht kan ik niet Schrijven.

Maar geen nood.

Ook aan deze kant, komt het wel. Goed. Een keer.

Of niet.

Het staat er immers op.

Op mijn actielijst.


OPROEP: Durf je het aan om in het onbekende te stappen, en nu al zeker te weten dat het heel wat los gaat maken? Bij jou? En bij de anderen? Laat het ons weten. En nogmaals: no worrie’s. Privacy en individuele wensen worden als eerste en enige gerespecteerd – er gebeurt niets dat jij niet wilt, of je familieleden niet willen. Over de planning valt nog niet zoveel te zeggen, anders dan dat we de komende weken gaan beginnen. En dat het project wel een jaartje in beslag zal nemen, voordat de contouren van een omslag of een expositie in zicht gaan komen. Dat is niet erg. Sommige dingen hebben nu eenmaal tijd nodig. Zeker als het familiedrama’s betreft. Ben je iemand met zo’n verhaal? Met zo’n familie? Of ken je iemand? Laat het ons weten: Hilde: hildevandersterren@gmail.com of Herbert: herbertvanhoogdalem@me.com. Of allebei, natuurlijk. Je hoort zo snel mogelijk weer van ons.



Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Tot 10 minuten voor z’n dood, hield mijn vader actielijstjes bij.

Echt.

Die ochtend nog, droeg hij mijn oudste broer Leo op om koekjes bij de Albert Heijn te halen, voor als de uitvaartondernemer de volgende dag bij ons langs zou komen.

“Hier is 5 euro, wisselgeld terug in het potje, bonnetje bewaren”.

Broer Cees, de middelste, kreeg de opdracht om alle planten te verzamelen in de kastenkamer – die waren voor Tante Nel.

Waar hij mij op uitstuurde, weet ik niet meer. Ik was als verdoofd. Wat in die tijd overigens sowieso schering en inslag was. Er zijn jaren langs me heen gegleden in een waas van verbijstering met een bijbehorend consumptiepatroon – de pijn was toen nog te groot om op een volwassen manier mee te kunnen dealen (let op de woordspeling).

Ik kan het nog wel terugzoeken. Ik heb alles gefilmd. Drie dagen lang. Met mijn iPhone, steunend tegen een kopje. Stiekem.

Het is al bijna 10 jaar geleden, maar ik kan er nog steeds niet naar kijken.

Er zijn me nog twee dingen bijgebleven.

De schok van herkenning, toen ik voor hem zat. Na jaren van afwezigheid – zowel van hem, als van mij. De verbeten trek om zijn mond, dat stapeltje papier voor hem, waar hij driftig met blauwe pen de ene actie na de andere doorhaalde. Ik weet nog dat ik dacht: “Wat gestoord, eigenlijk… actielijstjes – als er één ding dus zeker is in het leven, is dat je ze nooit af krijgt”. Ik nam me voor om op mijn actielijstje te zetten, dat ik nooit meer actielijstjes zou gebruiken.

Het staat er nog steeds.

Het andere heeft 9 jaar lang in mijn onderbewuste zitten zeuren, om aandacht. Bijna dagelijks drong de scene zich aan me op, in een flits, die ik dan wegwuifde. Verdrong. Verstopte.

Mijn oudste broer Leo, die per ongeluk met zijn schouder een fotolijstje op de muur tegenover mijn vader raakt. Waardoor het lijstje bijna van de muur valt. Op de foto: Leo, Cees en ik. Drie broertjes, een jaar of 18, 13 en 7, geloof ik. Mijn vader die, 5 minuten voor zijn dood nog half overeind komt uit zijn sterfbed, en naar hem sneert: “…wat ben je toch ook een …!” Hij slikte het geloof ik in. Zelfs hij besefte op het laatste moment, dat het zijn laatste moment was. En dat je dat niet kon maken. Althans: dat hou ik mezelf maar voor. Ik moet er de film maar eens op naslaan, maar er zijn duizenden woorden langs gekomen, in al die jaren. Maar vooral het beeld, van mijn broer, een destijds al volwassen man van een jaar of vijftig, die ineenkrimpt. Op alle mogelijke manieren denkbaar.

Een paar maanden geleden zag ik opeens de diepere betekenis en begreep ik de reden waarom het beeld maar dag en nacht maar terug bleef komen. Hardnekkig, zuigend, zeurend, jankend, steeds harder in mijn ballen trappend.

Het wilde me iets zeggen.

En toen ik het eindelijk hoorde, er eindelijk naar kon luisteren, voelde ik opeens alleen maar Liefde. En Begrip. Ja, Zachtheid zelfs.

Voor mijn broers. Voor mijn vader. Voor zijn vader. En voor generaties van Hoogdalem’s die bloedlijn na bloedlijn, tijdsgewricht na tijdsgewricht worstelen met een Loden Last, een ongekend verdriet, een zich door de geschiedenis vretende parasiet van niet te harden pijn, vertaald in Grote Afwezigheid.

Ze zeggen dat mensen die dood gaan, hun hele leven in een film aan zich voorbij zien trekken. Ik kan je vertellen: dat kan ook als je nog springlevend bent. En nog zeker 30, 40 jaar te gaan hebt.

Broodnuchter schoot ik in een soort trip. Paddestoelen, Ayahuasca of LSD: ik ken het niet, maar ik kan me voorstellen dat het er zo uitziet. In een soort van tijdloze dimensie die voor mijn gevoel 100 jaar duurde maar in werkelijkheid een split second was, klikten tientallen bontgekleurde puzzelstukjes met een donderend geraas in elkaar.

Alles.

Helder.

Opeens.

Mijn vader die mij altijd wegduwde. Ontkende. Niet zag staan. Die afwezig was.

Ik die hem hartgrondig ontkende, intens haatte, tevergeefs deed alsof-ie niet bestond.

De rollen die ik omkeerde, met mijn broers. De plek van jongste, die ik weigerde in te nemen.

Eén van mijn eigen zoons, voor wie ik nu net zo afwezig ben als mijn vader voor mij was.

De geschiedenis die zich herhaalt.

En herhaalt.

En herhaalt.

En herhaalt.

Totdat er ‘iemand’ ingrijpt.

Ik denk dat ik wel weet wie ‘die iemand’ gaat zijn. Moet gaan zijn, zelfs.

En wel: Nu.

-.-

Dat dat ‘nu’ al aan het meewerken is, merk ik de laatste maanden steeds meer. Het Is De Hoogste Tijd.

Steeds meer signalen, komen er op mijn pad.

Zo zat ik een paar maanden geleden met een fotografe koffie te drinken, die duidelijk op zoek was naar vervulling. Naar verdieping, naar verbijzondering, naar een manier om haar talent in te kunnen zetten om haar pijn, haar trauma’s, de wonden van haar jeugd een plek te geven en daar de rest van de onveilig gehechte wereld (wie is het niet, eigenlijk?) een pleister mee aan te reiken – geen doekje voor het bloeden, maar een zuiverende, ontsmettende, reinigende en louterende spiegel van begrip.

Het mooie aan gekwetste mensen, is dat ze vaak een creatieve gave hebben. Logisch, je moet als kind een manier vinden om te ontsnappen aan de rauwe werkelijkheid, aan de doffe pijn, aan de verkillende deken van onmacht.

Zelf ben ik ook niet voor niks gaan schrijven.

De fotografe en ik bedachten een boek. Een project. Een levenswerk, bijna. Niet zozeer voor ons, maar meer voor de talloze verbroken relaties die erop wachten om geheeld te worden – en als dat niet gaat, dan in elk geval in beeld gebracht.

‘Familie Opstellingen’, heet het. Werktitel nog, maar toch: hij komt in de buurt.

De bedoeling is dat we familieleden die elkaar niet (meer willen) zien, gaan fotograferen. Nee, niet tegelijk. Je wilt elkaar immers niet (meer) zien, en als iemand daar begrip voor heeft, ben ik het. Je komt elkaar dus niet tegen, niet onder ogen, je hoeft niet bang te zijn dat je de confrontatie aanmoet. Maar: je komt uiteindelijk wél samen in één foto.

Dat je je eigen boek kunt ophalen, als je model hebt gestaan, bij de vernissage en de opening van de expositie, is natuurlijk wél een mooie gelegenheid om de andere familieleden die het boek ook willen hebben, wél te ontmoeten. Maar het hoeft niet. Sterker nog: dat is verre van de bedoeling van het project – we gaan alle respect hebben voor privacy, individuele wensen en eventuele ‘no go area’s’.

Bij de foto’s, die ongetwijfeld bijzonder gaan worden, ga ik je verhaal optekenen. Dat zullen ongetwijfeld hartverscheurende en ultrapijnlijke stukjes geschiedenis zijn – de één wat groter dan de andere. Maar: daar kan ik wel wat mee, daar heb ik wel een handje van.

-.-

Waar ik ook ‘iets’ mee heb, zijn Opstellingen, is Systemisch Werk. Als ras-scepticus, vooral op het zogenaamd ‘spirituele’ vlak, ging ik zwaar in de remmen toen het onderwerp aan de orde kwam, tijdens mijn opleiding.

Maar ja. Je kan hoog en laag springen. Als je het eenmaal zelf hebt meegemaakt, hebt ondergaan, aan de lijve hebt ondervonden én als je het bij anderen hebt mogen doen of zien gebeuren, houd je je mond voortaan wel. Wijselijk, zelfs. Sommige zaken tussen hemel en aarde zijn nu eenmaal (nog) niet rationeel of wetenschappelijk te verklaren. Die voel je. Gewoon.

Nog een voorbeeldje? Van die signalen? Voordat ik écht aan zo’n project begin, ga ik natuurlijk wel te rade bij echte experts. Autoriteiten op hun vakgebied, om te voorkomen dat we ‘zomaar iets doen’.

Zo zat ik een paar weken geleden in de auto, op weg naar Nienke Binkhorst. Niet de minste, op dit gebied. Ik was koud een half uurtje op weg, toen de telefoon ging.

Mijn hart stond stil.

Op het scherm stond: ‘Leo van Hoogdalem’.

Mijn broer.

Belt.

Al een jaar of tien niet meer gesproken en gezien, geloof ik, en uitgerekend als ik onderweg ben voor een project ‘Familie Opstellingen’ belt-ie. Het moet niet gekker worden.

Natuurlijk nam ik niet op.

Ik ben en blijf een van Hoogdalem. Een bloedirritante, fucking eigenwijze, stijfkoppige, bloed-onder-je-nagels-vandaan-halende klootzak, die je blijft negeren als-ie je eenmaal in het hokje ‘Eens Maar Nooit Weer’ heeft gestopt. Mijn vader moet het van iemand meegekregen hebben, immers.

Wel stopte ik de auto langs de kant van de weg. Om trillend een Camel uit het pakje te vissen, en even heel diep adem te halen. Vol verdovende rook, om mijn samentrekkende, imploderende maag maar niet te hoeven voelen.

Toen ik pas 4 dagen later (een lafbek ben ik) de moed vond om de voicemail af te luisteren, bleek het Godbetert een ‘broekzakbelletje’.

De aperte waanzin.

Natuurlijk: zoiets kan gebeuren. Het leert me in elk geval dat mijn nummer tenminste nog in zijn telefoon staat. Maar… uitgerekend op dát moment? Waarom niet 16 uur, 3 dagen of 2 weken eerder? Of later? Ik schreef het al eens eerder: God speelt rare spelletjes.

-.-

Goed, hoe het mij, mijn broers en mijn middelste zoon zal vergaan de komende maanden, laat ik nog wel weten. Daar gaat het nu even niet om.

Waar het wel om gaat, is dat we dus familieleden zoeken die elkaar niet (meer willen) zien. Is dat we schurende verhalen zoeken, die woorden mogen krijgen. Die aan papier, aan de eeuwigheid mogen worden toevertrouwd. Die gevangen mogen worden in één fascinerend beeld, waar je toch als familie instaat. Zonder dat je elkaar onder ogen kwam.

Waarom ik zelf niet meedoe? Niet model ga staan?

Omdat voor mij het verhaal nog steeds te dichtbij komt.

Ik ben er nog niet aan toe. Om het op te tekenen. Ik denk dat ik door de tranen, de pijn en de rode waas van spijt, onmacht, woede en vergeefsheid, mijn scherm niet eens meer zie. Dan kan ik wel blind kunnen typen, zonder uitzicht kan ik niet Schrijven.

Maar geen nood.

Ook aan deze kant, komt het wel. Goed. Een keer.

Of niet.

Het staat er immers op.

Op mijn actielijst.


OPROEP: Durf je het aan om in het onbekende te stappen, en nu al zeker te weten dat het heel wat los gaat maken? Bij jou? En bij de anderen? Laat het ons weten. En nogmaals: no worrie’s. Privacy en individuele wensen worden als eerste en enige gerespecteerd – er gebeurt niets dat jij niet wilt, of je familieleden niet willen. Over de planning valt nog niet zoveel te zeggen, anders dan dat we de komende weken gaan beginnen. En dat het project wel een jaartje in beslag zal nemen, voordat de contouren van een omslag of een expositie in zicht gaan komen. Dat is niet erg. Sommige dingen hebben nu eenmaal tijd nodig. Zeker als het familiedrama’s betreft. Ben je iemand met zo’n verhaal? Met zo’n familie? Of ken je iemand? Laat het ons weten: Hilde: hildevandersterren@gmail.com of Herbert: herbertvanhoogdalem@me.com. Of allebei, natuurlijk. Je hoort zo snel mogelijk weer van ons.



Delen is het nieuwe vermenigvuldigen