Priet, priet’ – zo deed de telefoon weer.

Zo deed de telefoon altijd, als er iets met mijn ouders was. Welgeteld twee keer, dus.

“Met Herbert”

“Ja, jongen, met je vader. Ik heb besloten dood te gaan, kom je afscheid nemen?”

“Nou, eh, daar moet ik even over nadenken. Ik laat het je nog weten”

* …klik…*

Maar goed, ik ben de rotste niet. Dus: ik voor de tweede keer in een paar jaar tijd terug naar Schiedam. Waar ik voor moeders twintig minuten van hem kreeg, had hij er drie dagen voor uitgetrokken. Alsof er veel te vertellen was, of zo.

Ik heb bijna het grootste deel van de dagen opgenomen, met mijn iPhone. Die zette ik tegen een kopje, op een schoteltje, stiekem. En dat bleek best goed te werken. De filmpjes heb ik nog nooit teruggekeken, maar ik kwam ze ‘toevallig’ tegen, afgelopen week, ergens in mijn i-Cloud – de Duivel schijt altijd op de grote hoop.

Ik lig er namelijk weer eens af, voor een groot deel te wijten aan het feit dat-ie (mijn vader, niet de Duivel) een paar weken geleden weer eens liet groeten.

Volkomen onverwacht.

Niet van links zien aankomen.

Zomaar – patsboem, recht tussen de ogen – op een vroege dinsdagochtend stond-ie daar. Ergens op Schiphol, bij Vertrekhal 3.

Ik zag ‘m toen niet, en ik word verteerd, nee: verwoest van spijt.

Niet dat ik hem graag had willen zien, integendeel, maar ik had het me toen en daar graag direct willen realiseren. Dat had een hele hoop ellende voorkomen.

Want precies zeven weken later snapte ik het pas – dat we weer langs elkaar heen, dwars door de tijd – waren gelopen. Kan best zijn dat onze schouders elkaar per ongeluk even geraakt hebben, wat weleens gebeurt met een toevallige voorbijganger.

Je kent dat wel. Allebei gehaast, de tegenovergestelde richting oplopend. Een korte aanraking, misschien zelfs alleen de pand van een jas, twee handen die elkaar even ongemakkelijk raken, onbedoeld en ieder weer zijns weegs. Je kijkt allebei nog even snel om, de pas zit er al weer in, de een mompelt geïrriteerd “eikel!” binnensmonds, de ander zegt iets te vrolijk “sorry!” – afhankelijk van gemoedstoestand of persoonlijkheid.

Waar zo’n en passante en vluchtige aanraking voor anderen een onbetekenend iets zou zijn, al lang weer verdwenen in de waan van de dag, verloren onderaan de stapel ervaringen, zette deze mij in vuur en vlam. Althans: het lontje werd aangestoken, de detonator ingedrukt, het slagkwik van de semtex geactiveerd, en precies 49 dagen later ontplofte de boel definitief. Vloog alles de lucht in.

Pats. Boem.

Mijn leven.

Naar de ratsmodee. De haaien. Z’n grootje. De kloten.

Nee erger nog.

Aan gort.

Aan gruzelementen.

De afgelopen 10 dagen heb ik even moeten bijkomen van de klap. Lag ik op de grond, op mijn rug, mijn oren nasuizend van de enorme klap, de weeë geur van verbrand rubber in mijn neus, de paddenstoel van rook langzaam naar boven zien trekkend door een grijsgrauwe waas van tranen – deze haalde de dampkring wel – en probeerde ik op adem te komen met letterlijk brandende longen. Dat duurt even. Eenmaal op mijn knieën, omringd door scherven, bloedspetters, brokstukken, afgerukte ledematen en organen, lag het daar voor mijn neus.

Het klopte nog, maar het was in duizend stukjes. Een hart.

En het was niet eens het mijne.

PTSS heet het, deze specifieke springstof. En geloof me – het is gemeen spul. Onzichtbaar, onmerkbaar, reukloos en vooral: heel sluipend. Elke dag één procentje meer helling, op de glijdende schaal van onveiligheid. Tot het luik opeens openklapt, en je niet eens meer de tijd hebt om je te realiseren dat je al die tijd een strop om je nek had liggen. En je in je val ook nog eens je geliefde(n) meesleurt.

-.-

Terug naar Schiedam, terug naar 2011.

Daar zat ik, tussen mijn broers. Nee, naast ze. De oudste links, de middelste natuurlijk in het midden en ik aan de rechterkant. Tegenover ons aan tafel mijn vader, die nog 72 uur te leven had – zoiets weet je bij een zelfgekozen dood. Het is gewoon aftellen geblazen, waarop het uur waarop het ‘je tijd’ is al ergens in een medisch dossier staat, in de agenda van een huisarts. Ik weet niet wat erger is. Gáán of weten wanneer je gaat.

Hij zat in de ergonomische stoel van mijn moeder, haar erfenis aan hem, die haar bij leven nog een beetje bij elkaar hield van de reuma, van een Schiedamse firma met een naam die ik nooit begrepen had voor een rolstoelenwinkel: ‘Beenhakker’.

Voor zich op tafel een enorme stapel actielijstjes.

Het was met name die stapel, waar ik van schrok. En die me deed realiseren dat ik wél zijn vlees en bloed was – hoezeer ik me daar de afgelopen 40 jaar van had gedistantieerd, het niet wilde weten.

Actielijstjes zijn al mijn hele leven een onderwerp. Er is geen systeem dat ik al niet geprobeerd heb, of heb laten bouwen. Elke keer als er weer een nieuw systeem kwam, hevelde ik mijn actielijstjes daarin over, waarbij ik dagenlang alleen maar bezig was met overhevelen, en niet met de acties zelf.

Als de nood aan de man is, letterlijk, schakel ik over op papier. Dan sleep ik overal mapjes met me mee met lijstjes waarop dan de volgende dag weer dingen worden geschreven die ik de vorige dag niet kon afstrepen – waarmee je gevoel van eigenwaarde met de dag afneemt, vervliegt.

Dat was de afgelopen zeven weken ook zo – had ik dat maar gezien: nood aan de man. Letterlijk.

Ik was aan het verzuipen in een zee van vragen, van twijfel, van zoeken naar zingeving. Ik maakte hele ‘beslisbomen’ die natuurlijk weer veel te lang en uitgebreid waren in mijn zucht naar volledigheid, ik reek uit naar mensen waarvan ik hoopte dat ze me konden helpen, in een amechtige poging te kunnen ontsnappen aan de zinloze dingen waar ik me voor mijn gevoel mee bezig moest houden – terwijl het antwoord al die tijd onder mijn neus lag, sterker nog: naast me lag. Ook letterlijk. Mijn door de explosie nu afgerukte hand vasthoudend.

Het vervelende aan actielijstjes, is dat je ze nooit afkrijgt. Never. Nooit. Niet. Nee, ook niet als je weet wanneer je dood gaat, wanneer je uur gaat slaan.

Dát besef, dat had me toen misschien al moeten waarschuwen. Moeten inzien dat het allemaal nergens over gaat, nergens toe doet. Je leeft, je gaat dood. En of je verschil gemaakt hebt, en zo ja naar wat of wie, is daarna aan dat ‘wat’ en vooral aan de ‘wie’. Het hoeft allemaal niet zo groot, niet zo succesvol, niet zo hemelbestormend, niet zo eigenwijs.

Mijn vader heeft in elk geval verschil gemaakt voor mij, ‘impact’ noem je dat tegenwoordig, en niet altijd in even liefdevolle zin. Hij zal het ongetwijfeld niet expres gedaan hebben, zelfs nu geloof ik nog dat de mens hier komt met zuivere bedoelingen maar een product wordt van een een al dan niet positief gestimuleerd genenpakket, van een deel nature en het merendeel nurture. Een kwartje kan twee kanten opvallen en je moet ook een beetje geluk hebben in het leven.

Het ging zo.

 “L., als de begrafenisondernemer straks komt, zijn er geen koekjes meer. Jij gaat naar de bakker en haalt krakelingen. Hier is vijf euro, dat moet genoeg zijn, wisselgeld terug graag …”

* dikke streep *

‘Wisselgeld terug’, hij zei het echt. Zestig uur voor zijn dood.

“C., …de planten gaan naar tante N., die kunnen straks verzameld worden in de kastenkamer…”

* dikke streep *

Er zullen nog veel meer praktische (en dus zinloze) acties van het lijstje afgestreept zijn, in die dagen. Ik weet het niet, ze staan op de filmpjes, ooit zal ik ze bekijken. Wat ik wel weet, is dat-ie niet afkwam. En dat er geen acties waren voor mij, op dat lijstje. Ook geen praktische.

Acties had-ie al al lang opgegeven bij mij. Niet dat ik ze niet had, of deed. Verre van. Maar het waren van kinds af aan altijd al acties die hij niet begreep, afkeurde, ter discussie stelde, veroordeelde, in twijfel trok of wat-ie maar raar, risicovol of ongelofelijk vond. En als-ie iets van een actie vond, als-ie het al zag, dan vond-ie het in elk geval nooit goed genoeg.

“Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, was het devies. Of: “Wat zullen de buren er wel niet van denken?”.

Moest je mij hebben. Met dat ‘gek’ – of met die buren.

Het kan ook zijn dat-ie stiekem altijd een beetje afgunstig was – ik deed namelijk wel altijd wat ik zelf wilde doen, of voelde dat ik moest doen. Het schijnt dat mijn vader vroeger een getalenteerd en creatief mens was, dat geloof ik ook wel, maar dat-ie na een paar grote teleurstellingen zich heeft moeten neerleggen bij een klein en grijs leven, nog gedomineerd door het Gereformeerde dogma ook, waar de ziekte van mijn moeder ‘een straf van God was’ – volgens een oom die nog dieper in het drijfzand van de Biblebelt was vast komen te zitten. De horreur, eigenlijk.

Er waren in die dagen geen gesprekken, geen echte. Niet over het leven, niet over de dood. Niet over ons, niet over de liefde, niet over … nou gewoon: nergens over. Het was allemaal heel praktisch. Ik weet ook nog dat ik ergens in één van die dagen samen met mijn broers boodschappen ging doen. We moesten even met z’n drieën het huis ontvluchten, en dat we wat onhandig en lacherig bij een snackbar in Schiedam-Kethel stonden. Volkomen misplaatst, maar ik denk dat wij ook niet meer wisten hoe met de situatie om te gaan – waarschijnlijk ook niet naar elkaar.

De avond van zijn dood staat niet op film, maar wel voor altijd op mijn netvlies gegrift. Met diepe, diepe krassen.

Ik weet nog dat hij opstond, van die stoel, en de laatste gang naar zijn slaapkamer maakte. Z’n laatste meters lopend aflegde. Ik weet nog dat ik toen dacht: “Nou, vooruit, daar zit dan nog wel iets van moed in, terwijl je het grootste deel van je leven in angst geleefd hebt”. Ik weet nog dat de de gordijnen vooral héél goed gesloten moesten zijn, ook al woonden we aan het eind van de galerij in de flat – er zou echt niemand langs lopen. Maar ja: de buren, hé?

Ik weet nog dat-ie tien minuten voor z’n dood ook nog even uitviel tegen mijn oudste broer, die in al zijn onhandigheid tegen een fotolijstje stootte – sic genoeg een lijstje waar wij met z’n drieën opstonden, gemaakt een ergens rond 1980, en geregeld door mijn moeder voor Vaderdag – bij Huize Brabant (voor al uw pasfoto’s). Ik zag mijn broer ineenkrimpen en op dat moment vielen er miljoenen puzzelstukjes in één keer in elkaar en begreep ik opeens mijn hele jeugd. En waar ik mee de wereld opgeschopt was, wat ik meegekregen had.

Ik weet nog dat-ie dacht “dat het wel weer niet door zou gaan”, de euthanasie, omdat de twee huisartsen voor zijn gevoel wel érg lang samen aan het overleggen waren in de huiskamer.

Ik weet nog wat ik in zijn oor fluisterde, voordat de naald erin ging en de vloeistof door zijn aderen werd gedrukt.

Het ging in een Vloek (nee, niet van hem). En een Zucht.

-.-

Terug naar een jaar of tien daarvoor.

Ik had weer eens contact met hem, na lange, lange tijd.

Mijn boodschap: “Pa, ik heb je nodig”, eigenlijk niets meer dan een knieval, een schreeuw om liefde en aandacht van hem, leidde tot een complexe reeks van gebeurtenissen waarvan maar heel weinig mensen weten. Misschien schrijf ik er nog eens over. Misschien zelfs ooit nog weleens een boek. Ze brachten me in elk geval niet wat ik op dat moment nodig had, en waar ik om vroeg. Ze brachten me precies het omgekeerde: een hele hoop ellende.

Dat heeft vanaf dat moment mijn leven voor altijd getekend, en ik kwam er pas vele, vele jaren later achter dat daar ook een naam voor was: Post Traumatische Stress Stoornis.

En pas afgelopen week kwam ik er achter, dat ik de woorden ‘Ik heb je nodig’ niet eens meer uit kan spreken (het opschrijven hier kost me al moeite). Als ik iets of iemand nodig heb, kan ik dat niet voelen en niet aangeven, en omdat ik bij die behoefte er toch al van uitga dat ik weggeduwd wordt of dat-ie niet beantwoord wordt, ga ik zelf maar vast mijn dierbaren van me af duwen. Je doet, nee sorry, nu moet ik niet opeens in de derde persoon enkelvoud schrijven, ik moet die verantwoordelijkheid bij mezelf houden: ik doe dat niet expres. Er zijn combinaties in je hersenen verkeerd omgelegd door iets dat zelfs in DSM-5 wordt benoemd – dus dan bestaat het echt.

Gelukkig gebeurt dat niet continue, sterker nog: het gebeurt bijna nooit. Het overkwam me tot nu toe twee keer eerder in mijn leven. Wat nog meevalt, als je 52 bent en al meer dan twintig jaar met een potentiële clusterbom in je lijf rondloopt. Al helemaal als je er nooit aandacht aan hebt gegeven op een professionele manier: mijn overlevingsstrategie was altijd dóórgaan, niet zeiken, niet kwetsbaar zijn, wees een man, en hup – gáán.

Zelfs ik, met al mijn geestkracht en al mijn veerkracht, kon dat niet meer – vanaf dat memorabele moment op Schiphol, vandaag precies twee maanden geleden. In no-time, in een vloek en een zucht, donderden de dominosteentjes in mijn leven om.

Een operatie waar ik veel te laconiek over deed. En veel te snel weer van dacht hersteld te zijn, en weer dingen te kunnen doen (en heel dom: ook ging doen – 6 dagen na de operatie stond ik alweer bij een klant, geloof ik).

…tik, tik, tik…

Een narcose.

…tik, tik, tik, tik…

Een zwaar en emotioneel beladen rapport dat eindelijk eens af moest.

…tik, tik, tik, tik, tik…

Een zakelijke afwikkeling waar ik zonder ook maar enig overzicht op cijfers doorheen moest.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Van ziekenhuisafspraak naar ziekenhuisafspraak.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een vriend die ik al bijna een half jaar niet gesproken had, en die in ons contact mijn hoofd altijd wat pragmatischer kon maken.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een positie die ik niet ken, vol kwetsbaarheid en schaamte, waarin mijn normale ‘coping’ waarin ik vind dat ik ‘een kerel moet zijn’, niet meer werkte.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een aantal deadlines waarvan ik (alleen maar) dacht dat ik ze had.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een actielijstsysteem dat ik dan maar liet bouwen. En wat maar niet van de grond kwam, omdat ik niet kon overbrengen hoe mijn hoofd werkt. Waardoor dat hoofd alleen maar nog meer stress kreeg.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een vertwijfeld zoeken naar zingeving in mijn werk en me afvragend waar ik toch al dat talent aan aan het verspillen was.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een event waarbij ik natuurlijk weer het onmogelijke mogelijk wilde maken, binnen veel te weinig tijd. Uit pure liefde, maar ook dat kan zelfs (soms) killing zijn.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En nog wat ‘zaken’ die jullie verder niks aangaan.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En oh ja, ik ging ook nog stoppen met roken (welja, joh).

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En dat met zenuwen die niet eens meer overspannen waren, maar al door hun uiterste rek heen. Al weken in full alert stand stonden, alle alarmbellen aan, red flags, zoemend, continue. Een dodelijk vermoeid en uitgeput lijf, dat niet meer kon vluchten of bevriezen, alleen maar alert was voor een gevecht, 25 uur per dag.

En een strottenhoofd dat niet in staat was de woorden ‘ik heb je nodig’ in verstaanbare klanken weer te geven. Want ja: dan komt er ellende.

Ontploffing hier, ontploffing daar. Schade hier, schade daar.

En. Ik. Heb. Het. Gewoon. Niet. Gezien.

Ik. Heb. Er. Niet. Bij. Stil. Gestaan.

Want: ik ging maar weer dóór. En ik was vergeten dat er een explosief in mijn lijf geactiveerd kon worden, omdat ik gewoon, eindelijk eens een paar maanden gelukkig was – vanaf januari al.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een presentatie, niet eens meer op mijn tandvlees, maar op het weinige bot van mijn gebit.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Op 7 juni barstte de bom.

BAM!

Op 8 juni lag ik tussen de scherven van iets waaraan ik eindelijk eens heel gelukkig en in alle vrijheid aan het bouwen was. Waar ik eindelijk veilig was. Jullie hadden me moeten zien, in die maanden.

Het is vandaag 19 juni, Vaderdag.

Men zegt wel eens dat vergeving helend werkt. Althans: ik heb dat vaak gelezen, de afgelopen twintig, tweeëntwintig jaar. Ik heb dat nooit begrepen, maar ik denk dat ik er toch eens aan moet.

Niemand doet iets expres om anderen te laten lijden. Ook mijn vader deed dat niet. Het is wat ik er zelf van gemaakt heb.

Dus: vandaag:

Geen sokken.

Geen pakje shag.

Geen zelfgekleide asbak.

Geen geurtje.

Geen fles jenever.

Geen zelfgemaakte tekening.

Maar vergeving. In zeven weken liet ik alles uit mijn handen vallen, omdat ik dat al tientallen jaren niet doe.

Misschien moest ik nu maar eens doen, wat ik tien jaar geleden niet deed. Afscheid van je nemen. Echt afscheid nemen.

“Pa: rust zacht”.

Dan ga ik nu zélf aan de slag. Met volwassen worden.

Ik zet het even op de actielijst.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Priet, priet’ – zo deed de telefoon weer.

Zo deed de telefoon altijd, als er iets met mijn ouders was. Welgeteld twee keer, dus.

“Met Herbert”

“Ja, jongen, met je vader. Ik heb besloten dood te gaan, kom je afscheid nemen?”

“Nou, eh, daar moet ik even over nadenken. Ik laat het je nog weten”

* …klik…*

Maar goed, ik ben de rotste niet. Dus: ik voor de tweede keer in een paar jaar tijd terug naar Schiedam. Waar ik voor moeders twintig minuten van hem kreeg, had hij er drie dagen voor uitgetrokken. Alsof er veel te vertellen was, of zo.

Ik heb bijna het grootste deel van de dagen opgenomen, met mijn iPhone. Die zette ik tegen een kopje, op een schoteltje, stiekem. En dat bleek best goed te werken. De filmpjes heb ik nog nooit teruggekeken, maar ik kwam ze ‘toevallig’ tegen, afgelopen week, ergens in mijn i-Cloud – de Duivel schijt altijd op de grote hoop.

Ik lig er namelijk weer eens af, voor een groot deel te wijten aan het feit dat-ie (mijn vader, niet de Duivel) een paar weken geleden weer eens liet groeten.

Volkomen onverwacht.

Niet van links zien aankomen.

Zomaar – patsboem, recht tussen de ogen – op een vroege dinsdagochtend stond-ie daar. Ergens op Schiphol, bij Vertrekhal 3.

Ik zag ‘m toen niet, en ik word verteerd, nee: verwoest van spijt.

Niet dat ik hem graag had willen zien, integendeel, maar ik had het me toen en daar graag direct willen realiseren. Dat had een hele hoop ellende voorkomen.

Want precies zeven weken later snapte ik het pas – dat we weer langs elkaar heen, dwars door de tijd – waren gelopen. Kan best zijn dat onze schouders elkaar per ongeluk even geraakt hebben, wat weleens gebeurt met een toevallige voorbijganger.

Je kent dat wel. Allebei gehaast, de tegenovergestelde richting oplopend. Een korte aanraking, misschien zelfs alleen de pand van een jas, twee handen die elkaar even ongemakkelijk raken, onbedoeld en ieder weer zijns weegs. Je kijkt allebei nog even snel om, de pas zit er al weer in, de een mompelt geïrriteerd “eikel!” binnensmonds, de ander zegt iets te vrolijk “sorry!” – afhankelijk van gemoedstoestand of persoonlijkheid.

Waar zo’n en passante en vluchtige aanraking voor anderen een onbetekenend iets zou zijn, al lang weer verdwenen in de waan van de dag, verloren onderaan de stapel ervaringen, zette deze mij in vuur en vlam. Althans: het lontje werd aangestoken, de detonator ingedrukt, het slagkwik van de semtex geactiveerd, en precies 49 dagen later ontplofte de boel definitief. Vloog alles de lucht in.

Pats. Boem.

Mijn leven.

Naar de ratsmodee. De haaien. Z’n grootje. De kloten.

Nee erger nog.

Aan gort.

Aan gruzelementen.

De afgelopen 10 dagen heb ik even moeten bijkomen van de klap. Lag ik op de grond, op mijn rug, mijn oren nasuizend van de enorme klap, de weeë geur van verbrand rubber in mijn neus, de paddenstoel van rook langzaam naar boven zien trekkend door een grijsgrauwe waas van tranen – deze haalde de dampkring wel – en probeerde ik op adem te komen met letterlijk brandende longen. Dat duurt even. Eenmaal op mijn knieën, omringd door scherven, bloedspetters, brokstukken, afgerukte ledematen en organen, lag het daar voor mijn neus.

Het klopte nog, maar het was in duizend stukjes. Een hart.

En het was niet eens het mijne.

PTSS heet het, deze specifieke springstof. En geloof me – het is gemeen spul. Onzichtbaar, onmerkbaar, reukloos en vooral: heel sluipend. Elke dag één procentje meer helling, op de glijdende schaal van onveiligheid. Tot het luik opeens openklapt, en je niet eens meer de tijd hebt om je te realiseren dat je al die tijd een strop om je nek had liggen. En je in je val ook nog eens je geliefde(n) meesleurt.

-.-

Terug naar Schiedam, terug naar 2011.

Daar zat ik, tussen mijn broers. Nee, naast ze. De oudste links, de middelste natuurlijk in het midden en ik aan de rechterkant. Tegenover ons aan tafel mijn vader, die nog 72 uur te leven had – zoiets weet je bij een zelfgekozen dood. Het is gewoon aftellen geblazen, waarop het uur waarop het ‘je tijd’ is al ergens in een medisch dossier staat, in de agenda van een huisarts. Ik weet niet wat erger is. Gáán of weten wanneer je gaat.

Hij zat in de ergonomische stoel van mijn moeder, haar erfenis aan hem, die haar bij leven nog een beetje bij elkaar hield van de reuma, van een Schiedamse firma met een naam die ik nooit begrepen had voor een rolstoelenwinkel: ‘Beenhakker’.

Voor zich op tafel een enorme stapel actielijstjes.

Het was met name die stapel, waar ik van schrok. En die me deed realiseren dat ik wél zijn vlees en bloed was – hoezeer ik me daar de afgelopen 40 jaar van had gedistantieerd, het niet wilde weten.

Actielijstjes zijn al mijn hele leven een onderwerp. Er is geen systeem dat ik al niet geprobeerd heb, of heb laten bouwen. Elke keer als er weer een nieuw systeem kwam, hevelde ik mijn actielijstjes daarin over, waarbij ik dagenlang alleen maar bezig was met overhevelen, en niet met de acties zelf.

Als de nood aan de man is, letterlijk, schakel ik over op papier. Dan sleep ik overal mapjes met me mee met lijstjes waarop dan de volgende dag weer dingen worden geschreven die ik de vorige dag niet kon afstrepen – waarmee je gevoel van eigenwaarde met de dag afneemt, vervliegt.

Dat was de afgelopen zeven weken ook zo – had ik dat maar gezien: nood aan de man. Letterlijk.

Ik was aan het verzuipen in een zee van vragen, van twijfel, van zoeken naar zingeving. Ik maakte hele ‘beslisbomen’ die natuurlijk weer veel te lang en uitgebreid waren in mijn zucht naar volledigheid, ik reek uit naar mensen waarvan ik hoopte dat ze me konden helpen, in een amechtige poging te kunnen ontsnappen aan de zinloze dingen waar ik me voor mijn gevoel mee bezig moest houden – terwijl het antwoord al die tijd onder mijn neus lag, sterker nog: naast me lag. Ook letterlijk. Mijn door de explosie nu afgerukte hand vasthoudend.

Het vervelende aan actielijstjes, is dat je ze nooit afkrijgt. Never. Nooit. Niet. Nee, ook niet als je weet wanneer je dood gaat, wanneer je uur gaat slaan.

Dát besef, dat had me toen misschien al moeten waarschuwen. Moeten inzien dat het allemaal nergens over gaat, nergens toe doet. Je leeft, je gaat dood. En of je verschil gemaakt hebt, en zo ja naar wat of wie, is daarna aan dat ‘wat’ en vooral aan de ‘wie’. Het hoeft allemaal niet zo groot, niet zo succesvol, niet zo hemelbestormend, niet zo eigenwijs.

Mijn vader heeft in elk geval verschil gemaakt voor mij, ‘impact’ noem je dat tegenwoordig, en niet altijd in even liefdevolle zin. Hij zal het ongetwijfeld niet expres gedaan hebben, zelfs nu geloof ik nog dat de mens hier komt met zuivere bedoelingen maar een product wordt van een een al dan niet positief gestimuleerd genenpakket, van een deel nature en het merendeel nurture. Een kwartje kan twee kanten opvallen en je moet ook een beetje geluk hebben in het leven.

Het ging zo.

 “L., als de begrafenisondernemer straks komt, zijn er geen koekjes meer. Jij gaat naar de bakker en haalt krakelingen. Hier is vijf euro, dat moet genoeg zijn, wisselgeld terug graag …”

* dikke streep *

‘Wisselgeld terug’, hij zei het echt. Zestig uur voor zijn dood.

“C., …de planten gaan naar tante N., die kunnen straks verzameld worden in de kastenkamer…”

* dikke streep *

Er zullen nog veel meer praktische (en dus zinloze) acties van het lijstje afgestreept zijn, in die dagen. Ik weet het niet, ze staan op de filmpjes, ooit zal ik ze bekijken. Wat ik wel weet, is dat-ie niet afkwam. En dat er geen acties waren voor mij, op dat lijstje. Ook geen praktische.

Acties had-ie al al lang opgegeven bij mij. Niet dat ik ze niet had, of deed. Verre van. Maar het waren van kinds af aan altijd al acties die hij niet begreep, afkeurde, ter discussie stelde, veroordeelde, in twijfel trok of wat-ie maar raar, risicovol of ongelofelijk vond. En als-ie iets van een actie vond, als-ie het al zag, dan vond-ie het in elk geval nooit goed genoeg.

“Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, was het devies. Of: “Wat zullen de buren er wel niet van denken?”.

Moest je mij hebben. Met dat ‘gek’ – of met die buren.

Het kan ook zijn dat-ie stiekem altijd een beetje afgunstig was – ik deed namelijk wel altijd wat ik zelf wilde doen, of voelde dat ik moest doen. Het schijnt dat mijn vader vroeger een getalenteerd en creatief mens was, dat geloof ik ook wel, maar dat-ie na een paar grote teleurstellingen zich heeft moeten neerleggen bij een klein en grijs leven, nog gedomineerd door het Gereformeerde dogma ook, waar de ziekte van mijn moeder ‘een straf van God was’ – volgens een oom die nog dieper in het drijfzand van de Biblebelt was vast komen te zitten. De horreur, eigenlijk.

Er waren in die dagen geen gesprekken, geen echte. Niet over het leven, niet over de dood. Niet over ons, niet over de liefde, niet over … nou gewoon: nergens over. Het was allemaal heel praktisch. Ik weet ook nog dat ik ergens in één van die dagen samen met mijn broers boodschappen ging doen. We moesten even met z’n drieën het huis ontvluchten, en dat we wat onhandig en lacherig bij een snackbar in Schiedam-Kethel stonden. Volkomen misplaatst, maar ik denk dat wij ook niet meer wisten hoe met de situatie om te gaan – waarschijnlijk ook niet naar elkaar.

De avond van zijn dood staat niet op film, maar wel voor altijd op mijn netvlies gegrift. Met diepe, diepe krassen.

Ik weet nog dat hij opstond, van die stoel, en de laatste gang naar zijn slaapkamer maakte. Z’n laatste meters lopend aflegde. Ik weet nog dat ik toen dacht: “Nou, vooruit, daar zit dan nog wel iets van moed in, terwijl je het grootste deel van je leven in angst geleefd hebt”. Ik weet nog dat de de gordijnen vooral héél goed gesloten moesten zijn, ook al woonden we aan het eind van de galerij in de flat – er zou echt niemand langs lopen. Maar ja: de buren, hé?

Ik weet nog dat-ie tien minuten voor z’n dood ook nog even uitviel tegen mijn oudste broer, die in al zijn onhandigheid tegen een fotolijstje stootte – sic genoeg een lijstje waar wij met z’n drieën opstonden, gemaakt een ergens rond 1980, en geregeld door mijn moeder voor Vaderdag – bij Huize Brabant (voor al uw pasfoto’s). Ik zag mijn broer ineenkrimpen en op dat moment vielen er miljoenen puzzelstukjes in één keer in elkaar en begreep ik opeens mijn hele jeugd. En waar ik mee de wereld opgeschopt was, wat ik meegekregen had.

Ik weet nog dat-ie dacht “dat het wel weer niet door zou gaan”, de euthanasie, omdat de twee huisartsen voor zijn gevoel wel érg lang samen aan het overleggen waren in de huiskamer.

Ik weet nog wat ik in zijn oor fluisterde, voordat de naald erin ging en de vloeistof door zijn aderen werd gedrukt.

Het ging in een Vloek (nee, niet van hem). En een Zucht.

-.-

Terug naar een jaar of tien daarvoor.

Ik had weer eens contact met hem, na lange, lange tijd.

Mijn boodschap: “Pa, ik heb je nodig”, eigenlijk niets meer dan een knieval, een schreeuw om liefde en aandacht van hem, leidde tot een complexe reeks van gebeurtenissen waarvan maar heel weinig mensen weten. Misschien schrijf ik er nog eens over. Misschien zelfs ooit nog weleens een boek. Ze brachten me in elk geval niet wat ik op dat moment nodig had, en waar ik om vroeg. Ze brachten me precies het omgekeerde: een hele hoop ellende.

Dat heeft vanaf dat moment mijn leven voor altijd getekend, en ik kwam er pas vele, vele jaren later achter dat daar ook een naam voor was: Post Traumatische Stress Stoornis.

En pas afgelopen week kwam ik er achter, dat ik de woorden ‘Ik heb je nodig’ niet eens meer uit kan spreken (het opschrijven hier kost me al moeite). Als ik iets of iemand nodig heb, kan ik dat niet voelen en niet aangeven, en omdat ik bij die behoefte er toch al van uitga dat ik weggeduwd wordt of dat-ie niet beantwoord wordt, ga ik zelf maar vast mijn dierbaren van me af duwen. Je doet, nee sorry, nu moet ik niet opeens in de derde persoon enkelvoud schrijven, ik moet die verantwoordelijkheid bij mezelf houden: ik doe dat niet expres. Er zijn combinaties in je hersenen verkeerd omgelegd door iets dat zelfs in DSM-5 wordt benoemd – dus dan bestaat het echt.

Gelukkig gebeurt dat niet continue, sterker nog: het gebeurt bijna nooit. Het overkwam me tot nu toe twee keer eerder in mijn leven. Wat nog meevalt, als je 52 bent en al meer dan twintig jaar met een potentiële clusterbom in je lijf rondloopt. Al helemaal als je er nooit aandacht aan hebt gegeven op een professionele manier: mijn overlevingsstrategie was altijd dóórgaan, niet zeiken, niet kwetsbaar zijn, wees een man, en hup – gáán.

Zelfs ik, met al mijn geestkracht en al mijn veerkracht, kon dat niet meer – vanaf dat memorabele moment op Schiphol, vandaag precies twee maanden geleden. In no-time, in een vloek en een zucht, donderden de dominosteentjes in mijn leven om.

Een operatie waar ik veel te laconiek over deed. En veel te snel weer van dacht hersteld te zijn, en weer dingen te kunnen doen (en heel dom: ook ging doen – 6 dagen na de operatie stond ik alweer bij een klant, geloof ik).

…tik, tik, tik…

Een narcose.

…tik, tik, tik, tik…

Een zwaar en emotioneel beladen rapport dat eindelijk eens af moest.

…tik, tik, tik, tik, tik…

Een zakelijke afwikkeling waar ik zonder ook maar enig overzicht op cijfers doorheen moest.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Van ziekenhuisafspraak naar ziekenhuisafspraak.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een vriend die ik al bijna een half jaar niet gesproken had, en die in ons contact mijn hoofd altijd wat pragmatischer kon maken.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een positie die ik niet ken, vol kwetsbaarheid en schaamte, waarin mijn normale ‘coping’ waarin ik vind dat ik ‘een kerel moet zijn’, niet meer werkte.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een aantal deadlines waarvan ik (alleen maar) dacht dat ik ze had.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een actielijstsysteem dat ik dan maar liet bouwen. En wat maar niet van de grond kwam, omdat ik niet kon overbrengen hoe mijn hoofd werkt. Waardoor dat hoofd alleen maar nog meer stress kreeg.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een vertwijfeld zoeken naar zingeving in mijn werk en me afvragend waar ik toch al dat talent aan aan het verspillen was.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een event waarbij ik natuurlijk weer het onmogelijke mogelijk wilde maken, binnen veel te weinig tijd. Uit pure liefde, maar ook dat kan zelfs (soms) killing zijn.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En nog wat ‘zaken’ die jullie verder niks aangaan.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En oh ja, ik ging ook nog stoppen met roken (welja, joh).

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

En dat met zenuwen die niet eens meer overspannen waren, maar al door hun uiterste rek heen. Al weken in full alert stand stonden, alle alarmbellen aan, red flags, zoemend, continue. Een dodelijk vermoeid en uitgeput lijf, dat niet meer kon vluchten of bevriezen, alleen maar alert was voor een gevecht, 25 uur per dag.

En een strottenhoofd dat niet in staat was de woorden ‘ik heb je nodig’ in verstaanbare klanken weer te geven. Want ja: dan komt er ellende.

Ontploffing hier, ontploffing daar. Schade hier, schade daar.

En. Ik. Heb. Het. Gewoon. Niet. Gezien.

Ik. Heb. Er. Niet. Bij. Stil. Gestaan.

Want: ik ging maar weer dóór. En ik was vergeten dat er een explosief in mijn lijf geactiveerd kon worden, omdat ik gewoon, eindelijk eens een paar maanden gelukkig was – vanaf januari al.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Een presentatie, niet eens meer op mijn tandvlees, maar op het weinige bot van mijn gebit.

…tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik, tik…

Op 7 juni barstte de bom.

BAM!

Op 8 juni lag ik tussen de scherven van iets waaraan ik eindelijk eens heel gelukkig en in alle vrijheid aan het bouwen was. Waar ik eindelijk veilig was. Jullie hadden me moeten zien, in die maanden.

Het is vandaag 19 juni, Vaderdag.

Men zegt wel eens dat vergeving helend werkt. Althans: ik heb dat vaak gelezen, de afgelopen twintig, tweeëntwintig jaar. Ik heb dat nooit begrepen, maar ik denk dat ik er toch eens aan moet.

Niemand doet iets expres om anderen te laten lijden. Ook mijn vader deed dat niet. Het is wat ik er zelf van gemaakt heb.

Dus: vandaag:

Geen sokken.

Geen pakje shag.

Geen zelfgekleide asbak.

Geen geurtje.

Geen fles jenever.

Geen zelfgemaakte tekening.

Maar vergeving. In zeven weken liet ik alles uit mijn handen vallen, omdat ik dat al tientallen jaren niet doe.

Misschien moest ik nu maar eens doen, wat ik tien jaar geleden niet deed. Afscheid van je nemen. Echt afscheid nemen.

“Pa: rust zacht”.

Dan ga ik nu zélf aan de slag. Met volwassen worden.

Ik zet het even op de actielijst.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen