Het is 1 januari, 9 minuten voor half 11.

Ik zit in Apeldoorn, in een verlaten hotel. Alleen. Te werken aan mijn plannen voor 2023. ‘The Shining’ is er een vrolijk verhaaltje bij. Een olijke pageturner voor kinderen die niet bang zijn voor krokodillen onder hun bed.

Zelf ontsnap ik nog maar ternauwernood aan dezelfde regels die good old Jack avond aan avond tikt: “All work and no play makes Jack a dull boy”.

Ik weet er inmiddels alles van, kan ik jullie vertellen. Van dat saaie. Dat monotone. Mijn dagen regen zich de afgelopen weken aaneen in een uitzichtloos snoer zonder einde – met grijze, knobbelige, waardeloze kralen.

En dan de plek.

Apeldoorn implodeert bijna van lelijkheid, van zinloosheid. Van leegte, van niet ter zake doend, van volkomen willekeur, zelfs. Wat – the fuck – doe ik hier eigenlijk?

Te meer daar het betreffende hotel vanaf morgen verbouwd gaat worden, en dus geen voorraden meer heeft. Er is geen ontbijt, geen lunch, geen diner. Dat wist ik natuurlijk niet, van tevoren. Heb ik weer.

Ik wilde slechts een beetje tussen de mensen zijn, mijn door de spookverschijningen van een voorbije relatie nog steeds besmette huis ontvluchten (bij elke hoek die ik omsla, wat er niet zoveel zijn op 72 vierkante meter, zie ik haar weer staan, opdoemen, liggen, haar haar invlechten voor de manshoge spiegel – mega-irritant is het).

En ik wilde me afzonderen, zonder helemaal te verdwijnen – om nog iets van contact met de mensheid te houden.

De bar is gesloten, er zitten nauwelijks andere gasten. Drie of 4 misschien, op een totaal van 60 kamers.

Spookachtig is het, ik zei het al.

De grijze deken van De Tussentijd hangt verstikkend over het provinciaalse stadje, mensen parkeren hier in de bosrijke omgeving in grote getalen hun stationcars om labradors uit te laden en ‘gezellig’ een wandelingetje te maken, er is geen winkel open, alles staat stil. De tijd houdt haar adem in in afwachting van weer het zoveelste jaar dat we door moeten zien te komen.

Die plannen? Die voornemens?

Het kost me moeite, omdat ik op dat moment überhaupt met een zekere weerzin naar de toekomst kijk. Maar ja: we moeten door, allemaal. Ook ik. Stilstaan is geen optie – dat leidt alleen maar tot nog meer achteruitgang. En daar heb ik het wel een beetje mee gehad.

Dan gaat de telefoon.

Het is B. (zo noemen we haar).

Aanvankelijk ben ik blij dat ze belt. Dat ben ik altijd.

B. is een van mijn meest dierbare vriendinnen. Letterlijk een zielsverwante, die al een jaar of 18 met me meereist, en ik met haar.

Op de achtergond hoor ik haar dochtertje, we noemen haar X., lekker spelen. Maar: Ik hoor onmiddellijk aan B. dat er iets is, dat ze ergens mee zit.

Maar dan komt het.

Ik vroeg net aan X. zullen we een video opnemen voor oom Herbert en hem gelukkig Nieuw Jaar wensen… en toen zei X.: gaat oom Herbert bijna dood?”

(…)

B. en ik, en dus ook X., zijn héél sterk verbonden.

Toen B.’s vader 3 jaar geleden ziek werd, en ik hem half november van dat jaar opzocht in het ziekenhuis, wist ik toen ik hem aankeek onmiddellijk: ’23 december, dat is de datum’.

Ook hij wist dat ik dat wist en ik wist dat hij het ook wist. Zoiets voel je, dat hoef je niet uit te spreken. En dat heb ik dus ook niet gedaan, al helemaal niet naar B.

In de weken die volgden namen, we afscheid. B.’s vader was voor mij altijd een schrikbeeld – een angstaanjagende visualisatie van wat ik ook had kunnen worden, van wat mijn voorland kon zijn.

Hoogst intelligent, zwaar getalenteerd, erudiet en ondernemend, maar ook: getormenteerd. Getekend door trauma’s, zichzelf en zijn omgeving in de weg zittend, tegengehouden door de nasleep van vele verkeerde beslissingen en uiteindelijk niks van de grond gekregen.

In zijn laatste weken, lichtte hij op.

Het was bijna een bevrijding voor hem, denk ik, dat zijn queeste er bijna op zat. Mensen die gaan sterven, gaan vaak door een paar weken van ongekende helderheid – in hun weten, in hun liefde voor anderen en in de acceptatie en het loslaten van wat hen nog met dit leven verbindt. Fascinerend was het, ook de ongelofelijk eerlijke gesprekken die we hadden. Ik heb zelf nooit een vader gekend, en degene die het wel was (schijnt), wenste ik bij zijn dood – laten we zeggen – in elk geval niet de hemel toe.

Ik schreef er afgelopen jaar nog dit stukje over. Het leverde me de volgende dag totaal onverwacht 250.000 euro op – in a way. Zo werkt dat, kennelijk, met vergeven, en nee: daar was ik helemaal niet op uit. Het was een bijvangst (en hoe dat precies zit, ga ik komend jaar allemaal uitleggen in ‘Het Levende Bewijs’).

Terug naar waar het echt om gaat.

Nu.

B’.s vader. X. haar opa, blies zijn laatste adem uit, precies op … 23 december.
Ik was er nog net niet bij. Maar de avond ervoor gelukkig wel. Om hem te beloven dat ik voor de rest van haar leven over B. zou blijven waken.

Dus.

Als X. zich afvraagt of ik bijna dood ga, spits ik even mijn oren. Word ik zelfs even bang iets over het hoofd gezien te hebben.

Die steken in mijn linkeronderbuik? Toch kanker?

Dat onverklaarbare rechter sleepbeen? Toch ALS, Parkinson?

Die krankzinnige vermoeidheid? Het laatste restantje van mijn ongekende levenskracht?

Die steeds samentrekkende borstspier? Die tintelende linkerarm? Een serie kleine hartaanvallen of toch ‘gewoon’ paniek in combinatie met hyperventilatie? Zoals ze laatst zeiden op de SEH?

Niets van dat al, natuurlijk. Het zijn slechts gedachten. Het is alleen maar angst. Angst, die ik zo goed ken. Zeker het afgelopen jaar.

Want ja, ik heb er dit jaar 2 keer afgelegen. En goed ook.

Eén keer van 7 juni tot en met – ongeveer – 31 juli.

En één keer vanaf afgelopen 16 november tot zo’n beetje een week of 3 geleden.

De ene keer 5 weken, de andere 4.

Keurig, keurig, van Hoogdalem.

Natuurlijk waren die data er niet voor niets. Op die data gebeurde er iets. Iets dat ik niet van links zag aankomen, beide keren niet en waarvan ik zó tergend hoopte en er zo uitputtend en leeglopend mijn best voor heb gedaan het te voorkomen.

Drama, was het. In z’n puurste, gemeenste en meest pijnlijke vorm. Zowel op j.l. 7 juni als op j.l 16 november schoten die gedachten dus even door mijn hoofd. Heel, heel even maar. Een flits, niet eens een serieuze optie. Meer één van de tienduizenden scenario’s die langs mijn brein gleden, in een helse autorit waarin ik me op dat moment afvroeg wat ik nu in Godsnaam verder met mijn leven aanmoest.

Meer een soort van`: voor de volledigheid.

Gek genoeg, schreef ik daar de avond voordat X. zich via B. afvroeg of ik binnenkort dood zou gaan, in een (…kuch…) literaire vingeroefening het volgende over:

-.-

“Het had zomaar 2 keer zover kunnen zijn, het afgelopen jaar. Grappig genoeg ook 2 keer op ongeveer dezelfde plek.

Grappig – hoewel er natuurlijk bitter weinig om te lachen valt.

De plek?

Tussen Zeeburg en Amstel Business Park, op de ring A10, terwijl ik richting Haarlem scheurde. Met 180, 190. Tweehonderd soms, zelfs.

Je wilt dood – of niet immers. Je doet niks half.

Althans: ik niet.

Door een waas van tranen, met een bloedend hart, de maag opengereten – geen ruitenwisser opgewassen tegen al dat lichaamsvocht. Happend naar adem, vol van ongeloof, overmand door overmacht, hijgend van veel te lang tegen muren en klippen op.

Uitgeput en emotioneel failliet, van maanden lang dag en nacht investeren in cryptos, zoals een goede vriend laatst zo treffend visualiseerde. Op de Beurs Van DSM5 trekt de royale, vrijgevige en goedgelovige investeerder die alleen maar potentie ziet, doorgaans aan het kortste eind.

Op was ik. Het vuur van ontkenning kan behoorlijk woekeren in een van jongs af aan verlaten ziel.

Twee keer stond het bijna stil. Dat hart van mij.
Klopte. Er. Niets. Meer. Van. Mijn. Leven.

En daar kwamen ze. De zinloze gedachten van zogenaamde troost.

Die 2 seconden om overal van af te zijn. Om niet meer te hoeven denken, om nooit meer te hoeven voelen. De zoete zinspeling op een kort tikje naar rechts, aan het stuur. Even je ogen dicht, en ze nooit meer open hoeven doen.

Eindelijk. Rust.

Zo’n nauwelijks opvallend tikje dat de Sabrio om haar as zou doen tollen, zeker met die snelheid, en dan: over de kop slaan.

Zonder rolbeugels. Een gordel droeg ik beide keren niet, geen tijd om over na te denken toen ik wegvluchtte van de plaats delict, dus ik zou de auto uitgeslingerd worden, nadat ik waarschijnlijk eerst talloze andere onschuldige weggebruikers geraakt zou hebben.

Een slap en toch al nutteloos poppenlichaam over de Ring Amsterdam verspreiden, in 1000 stukjes.

Uiteengereten, bebloed, door een snel gebroken nek hopelijk er niks van meekrijgend voor mezelf.

-.-

Ik denk dat iedereen wel eens zo’n flits, zo’n nanosecondegedachte gehad heeft. Wie zegt dat dat niet zo is, liegt. Denk ik.

En: nee. Ik zou het nooit doen.

Mijn veerkracht is te gortig, te hardnekkig, te absurd bijna.

Hoe diep ik soms ook moet gaan, hoe weerzinwekkend plat ik soms ook op mijn plaat ga, hoe mokerhard en ogenschijnlijk onrechtvaardig de hoeken van het leven soms ook binnen komen.

Ook mooi: op precies die twee momenten, op die Ring A10, precies op 7 juni en precies op 16 november, op precies het juiste tijdstip, precies voordat ik misschien dat tikje aan het stuur had gegeven, belde er een vriend. Zomaar. Uit het niets. Dat doen ze anders nooit, want iedereen weet dat ik nooit bel, dus: ook niet opneem.

En ja, je moet ze wél zien, en horen, die tekens en die boodschappen.

Dan nog: het idee om je dierbaren met dat idee te moeten laten leven, ook.

No. Way.

En: ik heb nog steeds teveel te verliezen.

Nog veel te veel te doen, hier.

En vooral veel te veel om voor te blijven leven.

Mijn kinderen, om te beginnen.

Voor wie ik al gevaarlijk dicht aan de rand zit van het overdragen van mijn trauma’s op hen – voor zover ik al niet over die rand geflikkerd ben. Er is er maar één die dat kan herstellen en daarmee een inmiddels van generatie op generatie op generatie op generatie overspringende en ongevraagde familietraditie, zeg maar gerust een vloek, kan stoppen. En ik wil diegene zijn.

Dan: mijn vrienden, mijn dierbaren, mijn geliefden.

Elke keer weer. Waarvan de meesten al 25, 20, 15, 10 jaar om me heen zijn – en die om de 2, 3 jaar weer een instortmoment met lede ogen moeten aanzien. De momenten waarop ik er af lig, er af val, omdat ik weer eens te veel hooi op mijn vork nam. Omdat er weer eens een relatie geslachtofferd werd door de averij die ik opliep in mijn eerste 17 jaar – en waar ik de hele tijd maar geen aandacht aan geef. Omdat de teleurstelling over een mislukt project waar ik me met hart en ziel, met lijf, hoofd, met het hele netwerk en mijn halve pensioen voor 200% in stortte, weer eens niet helemaal uitpakte zoals ik hoopte. Of gewoon: omdat het de tijd van het jaar is (meestal de herfst en de winter), omdat er teveel dramatische dingen tegelijk gebeuren in de wereld en ik teveel in mijn eigen hoofd aan het ronddwalen ben en steeds denk: “Ben ik nou gek, of is de rest van de wereld het?”, en dan maar voor het gemak concludeer dat ik het moet zijn.

Ook een absolute showstopper voor een zelfgekozen einde: mijn werk.

Wat – ondanks mijn gemor en grumpy geschop ertegen – natuurlijk het mooiste ‘vak’ van de wereld is. Ik mag de hele dag door ideeën en oplossingen bedenken, ik mag met de leukste en meest creatieve mensen samenwerken, ik mag de meest bijzondere projecten realiseren, ik mag de hele dag (en nacht, als ik wil) door scheppen, creëeren, bedenken, complexe puzzels kraken, mensen en bedrijven laten zien hoe het anders, beter, efficiënter, creatiever en impactvoller kan. Ik hoef me nooit zorgen te maken of er wel genoeg werk is, de mensen blijven maar bellen, ik moet vaker ‘nee’ dan ‘ja’ zeggen – hoe mooi wil je het hebben? Ik begrijp er niets van, zelf vind ik mij nou niet bepaald zo goed of zo bijzonder, maar: ik omarm het, en ik klop het even af. Op echt hout.

En dan is er ook nog: mijn eigen Magnum Opus.

Mijn eigen dromen. Mijn eigen doelen. Mijn nog lang niet gerealiseerde ambities – al dan niet zelf voor me gezien, zelf verwoord, zelf opgeschreven. Of: door anderen (en niet de minsten) in mijn schoenen geschoven.

En nee: dat magnum opus van mij, dat speelt zich niet af in ‘het reclamevak’, of in ‘de kommunikaasiewereld’. Daar liep ik alleen maar 34 jaar tegen de keer in rond, dat overleefde ik alleen maar 3 decennia lang op pure wilskracht en her en der wat gesmokkel met verdovende middelen in de breedste zin van het woord, om te leren hoe ik Belangrijke Boodschappen Zo Impactvol En Eigentijds Mogelijk Kan Overbrengen Aan Grote Groepen Mensen.

Niets meer, niets minder.

De Lampen, Clio’s, One Show Awards, D&AD-Awards en Leeuwen in Cannes of de nominaties daarvoor ten spijt – dat was alleen maar de buitenkant. Die af en toe ook even verzachtte. Zo werkt dat.

We zijn inmiddels een paar flinke stappen verder.

In De Reis Van De Held.

Inmiddels is de prijs die ik aan het betalen ben om niet te luisteren naar mijn roeping, veel te hoog geworden.

Het is Nu.

Of Nooit.

In die zin is het wel mooi dat ik vandaag een aantal prangende vragen moest beantwoorden van Peter Kusters. Over diezelfde reis van de held, en over de verhalen die je jezelf vertelt. Ik deel er vast een paar met je:

Wat is je grootste angst? 
Waar houd je het meest van aan je werk? 
Wat is je grootste valkuil? 
Wat zou je aan jezelf willen veranderen? 
Wat is je grootste professionele prestatie tot nu toe? 
Waar zou je het liefst willen leven en werken? 
Wat is je meest markante karakteristiek? 
Wie zijn je helden en heldinnen in real life? 
Naar welke projecten in de nabije toekomst kijk je uit?

Het is nu of stap 2, of stap 11. Of een combinatie, want als stap 2 geweest is, kom ik vanzelf weer bij stap 11 – en andersom. Alles herhaalt zicht, alles gaat maar door. Net zo lang totdat je het spelletje door gaat krijgen. Geloof me: ik schurk er dicht tegenaan. Tegen dat doorkrijgen.

Dus het moest er maar eens van komen.

Dat ene zetje. Dat laatste zetje. Dat laatste restje ingehoudenheid.

Afgelopen maand waren er 2 (belangrijke) mensen die tegen me zeiden: “Jij schrijft wel heel openhartig op dat Linkedin, en sowieso online, maar ik weet zeker dat je nog lang niet alles zegt, dat je nog een hoop dingen achterhoudt”.

Toe maar.

Maar: ze hebben gelijk. Als ik eerlijk ben. En dat ben ik.

Ik ga komend jaar proberen mijn businessmodel drastisch te veranderen van werken in opdracht naar op pro-actieve wijze ideeën de wereld inbrengen waar ik al 10, 20 jaar onverrichterzake mee rond loop. En steeds maar niks mee doe. Dat heet ‘Great Minds Think a Like’, en dat is om de schoorsteen te laten roken.
Eigenlijk niet zo interessant, dus.

Veel intrigerender is het dat ik tussen al die ideeën, letterlijk in Lidl-tassen in mijn kelderbox, een concept voor een coachingsprogramma tegenkwam, waarmee ik je blauwdruk voor jouw ideale leven in kaart kan helpen brengen en je – met behulp van jou zelf natuurlijk – zo kan helpen herprogrammeren dat je je eigen Meesterwerk ook écht gaat bouwen, ook écht aan de wereld gaat geven.

Ik schrok me kapot: ik schreef het 5 jaar geleden, en het leek alsof ik het toen al schreef om mezelf op dit beslissende moment in mijn leven door een hele hoop bagger te helpen, te dragen. En juist dat is zo mooi, dat past zo mooi bij de boodschap die we willen overbrengen: “Alles is er al”.

Dat ‘Magnum Opus – er is voor iedereen een Meesterwerk weggelegd’, dat ben ik nu, Goddank, aan het uitwerken met Rieneke Batelaan. Ik schreef er gisteren dit stukje over.

Maar: het reclamevak leerde me dat het geen zin heeft om mooie praatjes op te hangen. Je moet bewijzen wat je beweert, wat je pretendeert. En dat ga ik dan maar doen.

‘Het Levende Bewijs’ wordt een boek, en een platform, waarmee ik mijn eigen inzichten en keiharde lessen real time en real life ga aantonen. En ja: ook als dat niet lukt, als ik toch omval, als ik toch de stekker er uittrek, is dat een bewijs.

Zo werkt het. Het is wat het is.

Er is geen goed. Er is geen slecht.

De achterflap van het boek schreef ik al, ik ben nu de website en het platform aan het bouwen. Die achterflap deel ik graag met jullie, want: het moest maar eens afgelopen zijn met dat gedraai, met dat halve werk, met dat laffe om de dingen heen draaien.

-.-

“Dit boek gaat pijn doen. Dat deed het al bij de schrijver én bij al zijn vrienden en (ex-)geliefden, bij wie de schellen van de ogen vielen.
Dit boek gaat jou ook pijn doen en dat is precies de bedoeling. Daar moet je doorheen, wil je écht gelukkig worden, wil je echt het leven leiden dat voor jou is weggelegd. Want: zonder offers te brengen, gaat het niet lukken.
Maar: je hoeft niet – net als de schrijver – continue in te leveren, constant het gevoel te hebben dat je aan het kortste eind trekt. Hoe eerder je daarmee ophoudt, hoe gelukkiger je leeft en hoe meer je kunt doen wat je hier te brengen hebt.
De schrijver leefde liederlijk, leefde half, leefde nét niet, leefde op de handrem en leefde een voor de buitenwereld een zogenaamd succesvol leven, maar ging 40 jaar lang dood van binnen. Echt: helemaal stuk.
Na de zoveelste klap besloot hij eindelijk een grote stap te nemen, waarvan-ie altijd al wist dat-ie er niet aan zou ontkomen: Vergeving. Acceptatie. Loslaten.
Vanaf dat moment vielen alle puzzelstukjes op hun plek, en kon hij heel helder vertellen aan welke natuurwetten we allemaal niet ontkomen, totdat we ze eindelijk onder onder ogen durven te zien. En: aangaan, oplossen, beetpakken. Waarna je zult zien dat het achteraf allemaal heel simpel was. En dat je het altijd al geweten hebt.
Dit boek voert je via een heel persoonlijk en bizar levensverhaal (het zou verfilmd moeten worden) naar je eigen pijnpunten, fouten, tekortkomingen en naar de heling daarvan. Ook al is dit verhaal bijna ongelofelijk, iedereen zal zich erin herkennen.
Wie zich vragen stelt over zijn of haar bestemming, wie doolt, wie zoekt, wie naarstig snakt naar geluk én wie spiritualiteit en godsdienst ook ongemakkelijke woorden vindt en daar jeuk van krijgt, zal verbaasd zijn over het magische gehalte van deze 300 pagina’s, waar je moeiteloos doorheen leest.
En oh ja: de schrijver wilde het eerst onder een pseudoniem schrijven. Totdat-ie zich realiseerde dat hij daarmee de essentie van zijn boodschap geen recht doet: het gaat om de waarheid, en niets dan de waarheid. Hoe hard ook.
Hij heet dan ook Herbert van Hoogdalem en schaamt zich inmiddels nergens meer voor.
Dat moet jij (ook) niet meer doen”.

-.-

En nu we toch aan het delen zijn: het voorwoord schreef ik ook al.

“Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen”

Voor mijn kinderen, Quinten, Julian & Jade, die ik jarenlang te kort heb gedaan en niet gaf wat ze nodig hadden – sorry, ik moest eerst ‘even’ hier doorheen – ik kan er nu pas voor jullie zijn.
Voor mijn vader, die me jarenlang dwarszat, zonder dat-ie dat wilde.
Voor mijn moeder die ik zoveel meer had willen (kunnen) teruggeven.
Voor Annemarie, die me talloze malen oppakte en opkrabbelde van diverse vloeren, als ik er weer af lag. En die me onvermoeibaar bleef wezen op het bestaan van ‘De Bolletjeswereld”.
Voor Jacqueline, voor Guya, voor Chantal, voor S. – sorry. Ik wou dat ik het eerder begrepen had.
Voor mijn broers, die me nooit begrepen hebben. En ik hen niet.
Voor Arnoud, die me 25 jaar lang wees op het belang van dit boek, en in 10 seconden leegbloedde – vijf jaar voor het mocht verschijnen.
Voor Lo & Mo, die ik zo Godverdomme pijnlijk in de steek moest laten.
Voor Jeroen, die altijd aan mijn zijde bleef – hoe moeilijk ook.
Voor Lucette, die me jarenlang vruchteloos tot schrijven aanzette.
Voor alle (ex-)geliefden die mijn pijn moeten hebben meemaken en doorleven.
Voor alle vrienden die ik in de steek liet, niet het hele verhaal durfde te vertellen, waar ik boos op werd en die desondanks toch om me heen zijn blijven staan (en ook: vóór al die vrienden en dierbaren die volkomen terecht afhaakten).
Voor iedereen die ik ontmoet heb in mijn leven, en die me een deel van de oplossing liet zien – bewust of niet.
Voor alle coaches, psychologen, psychiaters, therapeuten en andere professionele begeleiders die jarenlang hun tanden op me stuk beten. Jullie hadden gelijk: ik moest het uiteindelijk toch zelf doen.
Net als iedereen.

Waarvan akte.

24 juni, 2022.

-.-

Geloof me: ‘X’ gaat geen gelijk krijgen.

Want ik moet nog 50 jaar (door)werken.

Aan.

De.

Inhoud.

En aan mezelf.

——-
(Ik had dit niet kunnen overleven, of verder kunnen leven, zonder de hulp van talloze vrienden, dierbaren, geliefden en andere Engelen om me heen – ik ga ze niet taggen, dan blijf ik bezig. Ze herkennen zich hier vast in, en zo is het goed. Mocht je nou zelf weleens spelen met sombere gedachten of denken aan onnodige en destructieve actie’s: ik hoop juist door dit stuk een beetje kracht mee te geven, een beetje hoop, een andere kant te laten zien. Mocht dat nou niet uitpakken op de manier die ik bedoel, bedenk je dan dat je nooit alleen bent. En dat als je dat toch denkt, er altijd hulp is is de vorm van bijvoorbeeld 113, of De Luisterlijn. Mij mag je ook altijd mailen, maar: ik ben geen prof. Hooguit een ervaringsdeskundige).

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Het is 1 januari, 9 minuten voor half 11.

Ik zit in Apeldoorn, in een verlaten hotel. Alleen. Te werken aan mijn plannen voor 2023. ‘The Shining’ is er een vrolijk verhaaltje bij. Een olijke pageturner voor kinderen die niet bang zijn voor krokodillen onder hun bed.

Zelf ontsnap ik nog maar ternauwernood aan dezelfde regels die good old Jack avond aan avond tikt: “All work and no play makes Jack a dull boy”.

Ik weet er inmiddels alles van, kan ik jullie vertellen. Van dat saaie. Dat monotone. Mijn dagen regen zich de afgelopen weken aaneen in een uitzichtloos snoer zonder einde – met grijze, knobbelige, waardeloze kralen.

En dan de plek.

Apeldoorn implodeert bijna van lelijkheid, van zinloosheid. Van leegte, van niet ter zake doend, van volkomen willekeur, zelfs. Wat – the fuck – doe ik hier eigenlijk?

Te meer daar het betreffende hotel vanaf morgen verbouwd gaat worden, en dus geen voorraden meer heeft. Er is geen ontbijt, geen lunch, geen diner. Dat wist ik natuurlijk niet, van tevoren. Heb ik weer.

Ik wilde slechts een beetje tussen de mensen zijn, mijn door de spookverschijningen van een voorbije relatie nog steeds besmette huis ontvluchten (bij elke hoek die ik omsla, wat er niet zoveel zijn op 72 vierkante meter, zie ik haar weer staan, opdoemen, liggen, haar haar invlechten voor de manshoge spiegel – mega-irritant is het).

En ik wilde me afzonderen, zonder helemaal te verdwijnen – om nog iets van contact met de mensheid te houden.

De bar is gesloten, er zitten nauwelijks andere gasten. Drie of 4 misschien, op een totaal van 60 kamers.

Spookachtig is het, ik zei het al.

De grijze deken van De Tussentijd hangt verstikkend over het provinciaalse stadje, mensen parkeren hier in de bosrijke omgeving in grote getalen hun stationcars om labradors uit te laden en ‘gezellig’ een wandelingetje te maken, er is geen winkel open, alles staat stil. De tijd houdt haar adem in in afwachting van weer het zoveelste jaar dat we door moeten zien te komen.

Die plannen? Die voornemens?

Het kost me moeite, omdat ik op dat moment überhaupt met een zekere weerzin naar de toekomst kijk. Maar ja: we moeten door, allemaal. Ook ik. Stilstaan is geen optie – dat leidt alleen maar tot nog meer achteruitgang. En daar heb ik het wel een beetje mee gehad.

Dan gaat de telefoon.

Het is B. (zo noemen we haar).

Aanvankelijk ben ik blij dat ze belt. Dat ben ik altijd.

B. is een van mijn meest dierbare vriendinnen. Letterlijk een zielsverwante, die al een jaar of 18 met me meereist, en ik met haar.

Op de achtergond hoor ik haar dochtertje, we noemen haar X., lekker spelen. Maar: Ik hoor onmiddellijk aan B. dat er iets is, dat ze ergens mee zit.

Maar dan komt het.

Ik vroeg net aan X. zullen we een video opnemen voor oom Herbert en hem gelukkig Nieuw Jaar wensen… en toen zei X.: gaat oom Herbert bijna dood?”

(…)

B. en ik, en dus ook X., zijn héél sterk verbonden.

Toen B.’s vader 3 jaar geleden ziek werd, en ik hem half november van dat jaar opzocht in het ziekenhuis, wist ik toen ik hem aankeek onmiddellijk: ’23 december, dat is de datum’.

Ook hij wist dat ik dat wist en ik wist dat hij het ook wist. Zoiets voel je, dat hoef je niet uit te spreken. En dat heb ik dus ook niet gedaan, al helemaal niet naar B.

In de weken die volgden namen, we afscheid. B.’s vader was voor mij altijd een schrikbeeld – een angstaanjagende visualisatie van wat ik ook had kunnen worden, van wat mijn voorland kon zijn.

Hoogst intelligent, zwaar getalenteerd, erudiet en ondernemend, maar ook: getormenteerd. Getekend door trauma’s, zichzelf en zijn omgeving in de weg zittend, tegengehouden door de nasleep van vele verkeerde beslissingen en uiteindelijk niks van de grond gekregen.

In zijn laatste weken, lichtte hij op.

Het was bijna een bevrijding voor hem, denk ik, dat zijn queeste er bijna op zat. Mensen die gaan sterven, gaan vaak door een paar weken van ongekende helderheid – in hun weten, in hun liefde voor anderen en in de acceptatie en het loslaten van wat hen nog met dit leven verbindt. Fascinerend was het, ook de ongelofelijk eerlijke gesprekken die we hadden. Ik heb zelf nooit een vader gekend, en degene die het wel was (schijnt), wenste ik bij zijn dood – laten we zeggen – in elk geval niet de hemel toe.

Ik schreef er afgelopen jaar nog dit stukje over. Het leverde me de volgende dag totaal onverwacht 250.000 euro op – in a way. Zo werkt dat, kennelijk, met vergeven, en nee: daar was ik helemaal niet op uit. Het was een bijvangst (en hoe dat precies zit, ga ik komend jaar allemaal uitleggen in ‘Het Levende Bewijs’).

Terug naar waar het echt om gaat.

Nu.

B’.s vader. X. haar opa, blies zijn laatste adem uit, precies op … 23 december.
Ik was er nog net niet bij. Maar de avond ervoor gelukkig wel. Om hem te beloven dat ik voor de rest van haar leven over B. zou blijven waken.

Dus.

Als X. zich afvraagt of ik bijna dood ga, spits ik even mijn oren. Word ik zelfs even bang iets over het hoofd gezien te hebben.

Die steken in mijn linkeronderbuik? Toch kanker?

Dat onverklaarbare rechter sleepbeen? Toch ALS, Parkinson?

Die krankzinnige vermoeidheid? Het laatste restantje van mijn ongekende levenskracht?

Die steeds samentrekkende borstspier? Die tintelende linkerarm? Een serie kleine hartaanvallen of toch ‘gewoon’ paniek in combinatie met hyperventilatie? Zoals ze laatst zeiden op de SEH?

Niets van dat al, natuurlijk. Het zijn slechts gedachten. Het is alleen maar angst. Angst, die ik zo goed ken. Zeker het afgelopen jaar.

Want ja, ik heb er dit jaar 2 keer afgelegen. En goed ook.

Eén keer van 7 juni tot en met – ongeveer – 31 juli.

En één keer vanaf afgelopen 16 november tot zo’n beetje een week of 3 geleden.

De ene keer 5 weken, de andere 4.

Keurig, keurig, van Hoogdalem.

Natuurlijk waren die data er niet voor niets. Op die data gebeurde er iets. Iets dat ik niet van links zag aankomen, beide keren niet en waarvan ik zó tergend hoopte en er zo uitputtend en leeglopend mijn best voor heb gedaan het te voorkomen.

Drama, was het. In z’n puurste, gemeenste en meest pijnlijke vorm. Zowel op j.l. 7 juni als op j.l 16 november schoten die gedachten dus even door mijn hoofd. Heel, heel even maar. Een flits, niet eens een serieuze optie. Meer één van de tienduizenden scenario’s die langs mijn brein gleden, in een helse autorit waarin ik me op dat moment afvroeg wat ik nu in Godsnaam verder met mijn leven aanmoest.

Meer een soort van`: voor de volledigheid.

Gek genoeg, schreef ik daar de avond voordat X. zich via B. afvroeg of ik binnenkort dood zou gaan, in een (…kuch…) literaire vingeroefening het volgende over:

-.-

“Het had zomaar 2 keer zover kunnen zijn, het afgelopen jaar. Grappig genoeg ook 2 keer op ongeveer dezelfde plek.

Grappig – hoewel er natuurlijk bitter weinig om te lachen valt.

De plek?

Tussen Zeeburg en Amstel Business Park, op de ring A10, terwijl ik richting Haarlem scheurde. Met 180, 190. Tweehonderd soms, zelfs.

Je wilt dood – of niet immers. Je doet niks half.

Althans: ik niet.

Door een waas van tranen, met een bloedend hart, de maag opengereten – geen ruitenwisser opgewassen tegen al dat lichaamsvocht. Happend naar adem, vol van ongeloof, overmand door overmacht, hijgend van veel te lang tegen muren en klippen op.

Uitgeput en emotioneel failliet, van maanden lang dag en nacht investeren in cryptos, zoals een goede vriend laatst zo treffend visualiseerde. Op de Beurs Van DSM5 trekt de royale, vrijgevige en goedgelovige investeerder die alleen maar potentie ziet, doorgaans aan het kortste eind.

Op was ik. Het vuur van ontkenning kan behoorlijk woekeren in een van jongs af aan verlaten ziel.

Twee keer stond het bijna stil. Dat hart van mij.
Klopte. Er. Niets. Meer. Van. Mijn. Leven.

En daar kwamen ze. De zinloze gedachten van zogenaamde troost.

Die 2 seconden om overal van af te zijn. Om niet meer te hoeven denken, om nooit meer te hoeven voelen. De zoete zinspeling op een kort tikje naar rechts, aan het stuur. Even je ogen dicht, en ze nooit meer open hoeven doen.

Eindelijk. Rust.

Zo’n nauwelijks opvallend tikje dat de Sabrio om haar as zou doen tollen, zeker met die snelheid, en dan: over de kop slaan.

Zonder rolbeugels. Een gordel droeg ik beide keren niet, geen tijd om over na te denken toen ik wegvluchtte van de plaats delict, dus ik zou de auto uitgeslingerd worden, nadat ik waarschijnlijk eerst talloze andere onschuldige weggebruikers geraakt zou hebben.

Een slap en toch al nutteloos poppenlichaam over de Ring Amsterdam verspreiden, in 1000 stukjes.

Uiteengereten, bebloed, door een snel gebroken nek hopelijk er niks van meekrijgend voor mezelf.

-.-

Ik denk dat iedereen wel eens zo’n flits, zo’n nanosecondegedachte gehad heeft. Wie zegt dat dat niet zo is, liegt. Denk ik.

En: nee. Ik zou het nooit doen.

Mijn veerkracht is te gortig, te hardnekkig, te absurd bijna.

Hoe diep ik soms ook moet gaan, hoe weerzinwekkend plat ik soms ook op mijn plaat ga, hoe mokerhard en ogenschijnlijk onrechtvaardig de hoeken van het leven soms ook binnen komen.

Ook mooi: op precies die twee momenten, op die Ring A10, precies op 7 juni en precies op 16 november, op precies het juiste tijdstip, precies voordat ik misschien dat tikje aan het stuur had gegeven, belde er een vriend. Zomaar. Uit het niets. Dat doen ze anders nooit, want iedereen weet dat ik nooit bel, dus: ook niet opneem.

En ja, je moet ze wél zien, en horen, die tekens en die boodschappen.

Dan nog: het idee om je dierbaren met dat idee te moeten laten leven, ook.

No. Way.

En: ik heb nog steeds teveel te verliezen.

Nog veel te veel te doen, hier.

En vooral veel te veel om voor te blijven leven.

Mijn kinderen, om te beginnen.

Voor wie ik al gevaarlijk dicht aan de rand zit van het overdragen van mijn trauma’s op hen – voor zover ik al niet over die rand geflikkerd ben. Er is er maar één die dat kan herstellen en daarmee een inmiddels van generatie op generatie op generatie op generatie overspringende en ongevraagde familietraditie, zeg maar gerust een vloek, kan stoppen. En ik wil diegene zijn.

Dan: mijn vrienden, mijn dierbaren, mijn geliefden.

Elke keer weer. Waarvan de meesten al 25, 20, 15, 10 jaar om me heen zijn – en die om de 2, 3 jaar weer een instortmoment met lede ogen moeten aanzien. De momenten waarop ik er af lig, er af val, omdat ik weer eens te veel hooi op mijn vork nam. Omdat er weer eens een relatie geslachtofferd werd door de averij die ik opliep in mijn eerste 17 jaar – en waar ik de hele tijd maar geen aandacht aan geef. Omdat de teleurstelling over een mislukt project waar ik me met hart en ziel, met lijf, hoofd, met het hele netwerk en mijn halve pensioen voor 200% in stortte, weer eens niet helemaal uitpakte zoals ik hoopte. Of gewoon: omdat het de tijd van het jaar is (meestal de herfst en de winter), omdat er teveel dramatische dingen tegelijk gebeuren in de wereld en ik teveel in mijn eigen hoofd aan het ronddwalen ben en steeds denk: “Ben ik nou gek, of is de rest van de wereld het?”, en dan maar voor het gemak concludeer dat ik het moet zijn.

Ook een absolute showstopper voor een zelfgekozen einde: mijn werk.

Wat – ondanks mijn gemor en grumpy geschop ertegen – natuurlijk het mooiste ‘vak’ van de wereld is. Ik mag de hele dag door ideeën en oplossingen bedenken, ik mag met de leukste en meest creatieve mensen samenwerken, ik mag de meest bijzondere projecten realiseren, ik mag de hele dag (en nacht, als ik wil) door scheppen, creëeren, bedenken, complexe puzzels kraken, mensen en bedrijven laten zien hoe het anders, beter, efficiënter, creatiever en impactvoller kan. Ik hoef me nooit zorgen te maken of er wel genoeg werk is, de mensen blijven maar bellen, ik moet vaker ‘nee’ dan ‘ja’ zeggen – hoe mooi wil je het hebben? Ik begrijp er niets van, zelf vind ik mij nou niet bepaald zo goed of zo bijzonder, maar: ik omarm het, en ik klop het even af. Op echt hout.

En dan is er ook nog: mijn eigen Magnum Opus.

Mijn eigen dromen. Mijn eigen doelen. Mijn nog lang niet gerealiseerde ambities – al dan niet zelf voor me gezien, zelf verwoord, zelf opgeschreven. Of: door anderen (en niet de minsten) in mijn schoenen geschoven.

En nee: dat magnum opus van mij, dat speelt zich niet af in ‘het reclamevak’, of in ‘de kommunikaasiewereld’. Daar liep ik alleen maar 34 jaar tegen de keer in rond, dat overleefde ik alleen maar 3 decennia lang op pure wilskracht en her en der wat gesmokkel met verdovende middelen in de breedste zin van het woord, om te leren hoe ik Belangrijke Boodschappen Zo Impactvol En Eigentijds Mogelijk Kan Overbrengen Aan Grote Groepen Mensen.

Niets meer, niets minder.

De Lampen, Clio’s, One Show Awards, D&AD-Awards en Leeuwen in Cannes of de nominaties daarvoor ten spijt – dat was alleen maar de buitenkant. Die af en toe ook even verzachtte. Zo werkt dat.

We zijn inmiddels een paar flinke stappen verder.

In De Reis Van De Held.

Inmiddels is de prijs die ik aan het betalen ben om niet te luisteren naar mijn roeping, veel te hoog geworden.

Het is Nu.

Of Nooit.

In die zin is het wel mooi dat ik vandaag een aantal prangende vragen moest beantwoorden van Peter Kusters. Over diezelfde reis van de held, en over de verhalen die je jezelf vertelt. Ik deel er vast een paar met je:

Wat is je grootste angst? 
Waar houd je het meest van aan je werk? 
Wat is je grootste valkuil? 
Wat zou je aan jezelf willen veranderen? 
Wat is je grootste professionele prestatie tot nu toe? 
Waar zou je het liefst willen leven en werken? 
Wat is je meest markante karakteristiek? 
Wie zijn je helden en heldinnen in real life? 
Naar welke projecten in de nabije toekomst kijk je uit?

Het is nu of stap 2, of stap 11. Of een combinatie, want als stap 2 geweest is, kom ik vanzelf weer bij stap 11 – en andersom. Alles herhaalt zicht, alles gaat maar door. Net zo lang totdat je het spelletje door gaat krijgen. Geloof me: ik schurk er dicht tegenaan. Tegen dat doorkrijgen.

Dus het moest er maar eens van komen.

Dat ene zetje. Dat laatste zetje. Dat laatste restje ingehoudenheid.

Afgelopen maand waren er 2 (belangrijke) mensen die tegen me zeiden: “Jij schrijft wel heel openhartig op dat Linkedin, en sowieso online, maar ik weet zeker dat je nog lang niet alles zegt, dat je nog een hoop dingen achterhoudt”.

Toe maar.

Maar: ze hebben gelijk. Als ik eerlijk ben. En dat ben ik.

Ik ga komend jaar proberen mijn businessmodel drastisch te veranderen van werken in opdracht naar op pro-actieve wijze ideeën de wereld inbrengen waar ik al 10, 20 jaar onverrichterzake mee rond loop. En steeds maar niks mee doe. Dat heet ‘Great Minds Think a Like’, en dat is om de schoorsteen te laten roken.
Eigenlijk niet zo interessant, dus.

Veel intrigerender is het dat ik tussen al die ideeën, letterlijk in Lidl-tassen in mijn kelderbox, een concept voor een coachingsprogramma tegenkwam, waarmee ik je blauwdruk voor jouw ideale leven in kaart kan helpen brengen en je – met behulp van jou zelf natuurlijk – zo kan helpen herprogrammeren dat je je eigen Meesterwerk ook écht gaat bouwen, ook écht aan de wereld gaat geven.

Ik schrok me kapot: ik schreef het 5 jaar geleden, en het leek alsof ik het toen al schreef om mezelf op dit beslissende moment in mijn leven door een hele hoop bagger te helpen, te dragen. En juist dat is zo mooi, dat past zo mooi bij de boodschap die we willen overbrengen: “Alles is er al”.

Dat ‘Magnum Opus – er is voor iedereen een Meesterwerk weggelegd’, dat ben ik nu, Goddank, aan het uitwerken met Rieneke Batelaan. Ik schreef er gisteren dit stukje over.

Maar: het reclamevak leerde me dat het geen zin heeft om mooie praatjes op te hangen. Je moet bewijzen wat je beweert, wat je pretendeert. En dat ga ik dan maar doen.

‘Het Levende Bewijs’ wordt een boek, en een platform, waarmee ik mijn eigen inzichten en keiharde lessen real time en real life ga aantonen. En ja: ook als dat niet lukt, als ik toch omval, als ik toch de stekker er uittrek, is dat een bewijs.

Zo werkt het. Het is wat het is.

Er is geen goed. Er is geen slecht.

De achterflap van het boek schreef ik al, ik ben nu de website en het platform aan het bouwen. Die achterflap deel ik graag met jullie, want: het moest maar eens afgelopen zijn met dat gedraai, met dat halve werk, met dat laffe om de dingen heen draaien.

-.-

“Dit boek gaat pijn doen. Dat deed het al bij de schrijver én bij al zijn vrienden en (ex-)geliefden, bij wie de schellen van de ogen vielen.
Dit boek gaat jou ook pijn doen en dat is precies de bedoeling. Daar moet je doorheen, wil je écht gelukkig worden, wil je echt het leven leiden dat voor jou is weggelegd. Want: zonder offers te brengen, gaat het niet lukken.
Maar: je hoeft niet – net als de schrijver – continue in te leveren, constant het gevoel te hebben dat je aan het kortste eind trekt. Hoe eerder je daarmee ophoudt, hoe gelukkiger je leeft en hoe meer je kunt doen wat je hier te brengen hebt.
De schrijver leefde liederlijk, leefde half, leefde nét niet, leefde op de handrem en leefde een voor de buitenwereld een zogenaamd succesvol leven, maar ging 40 jaar lang dood van binnen. Echt: helemaal stuk.
Na de zoveelste klap besloot hij eindelijk een grote stap te nemen, waarvan-ie altijd al wist dat-ie er niet aan zou ontkomen: Vergeving. Acceptatie. Loslaten.
Vanaf dat moment vielen alle puzzelstukjes op hun plek, en kon hij heel helder vertellen aan welke natuurwetten we allemaal niet ontkomen, totdat we ze eindelijk onder onder ogen durven te zien. En: aangaan, oplossen, beetpakken. Waarna je zult zien dat het achteraf allemaal heel simpel was. En dat je het altijd al geweten hebt.
Dit boek voert je via een heel persoonlijk en bizar levensverhaal (het zou verfilmd moeten worden) naar je eigen pijnpunten, fouten, tekortkomingen en naar de heling daarvan. Ook al is dit verhaal bijna ongelofelijk, iedereen zal zich erin herkennen.
Wie zich vragen stelt over zijn of haar bestemming, wie doolt, wie zoekt, wie naarstig snakt naar geluk én wie spiritualiteit en godsdienst ook ongemakkelijke woorden vindt en daar jeuk van krijgt, zal verbaasd zijn over het magische gehalte van deze 300 pagina’s, waar je moeiteloos doorheen leest.
En oh ja: de schrijver wilde het eerst onder een pseudoniem schrijven. Totdat-ie zich realiseerde dat hij daarmee de essentie van zijn boodschap geen recht doet: het gaat om de waarheid, en niets dan de waarheid. Hoe hard ook.
Hij heet dan ook Herbert van Hoogdalem en schaamt zich inmiddels nergens meer voor.
Dat moet jij (ook) niet meer doen”.

-.-

En nu we toch aan het delen zijn: het voorwoord schreef ik ook al.

“Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen”

Voor mijn kinderen, Quinten, Julian & Jade, die ik jarenlang te kort heb gedaan en niet gaf wat ze nodig hadden – sorry, ik moest eerst ‘even’ hier doorheen – ik kan er nu pas voor jullie zijn.
Voor mijn vader, die me jarenlang dwarszat, zonder dat-ie dat wilde.
Voor mijn moeder die ik zoveel meer had willen (kunnen) teruggeven.
Voor Annemarie, die me talloze malen oppakte en opkrabbelde van diverse vloeren, als ik er weer af lag. En die me onvermoeibaar bleef wezen op het bestaan van ‘De Bolletjeswereld”.
Voor Jacqueline, voor Guya, voor Chantal, voor S. – sorry. Ik wou dat ik het eerder begrepen had.
Voor mijn broers, die me nooit begrepen hebben. En ik hen niet.
Voor Arnoud, die me 25 jaar lang wees op het belang van dit boek, en in 10 seconden leegbloedde – vijf jaar voor het mocht verschijnen.
Voor Lo & Mo, die ik zo Godverdomme pijnlijk in de steek moest laten.
Voor Jeroen, die altijd aan mijn zijde bleef – hoe moeilijk ook.
Voor Lucette, die me jarenlang vruchteloos tot schrijven aanzette.
Voor alle (ex-)geliefden die mijn pijn moeten hebben meemaken en doorleven.
Voor alle vrienden die ik in de steek liet, niet het hele verhaal durfde te vertellen, waar ik boos op werd en die desondanks toch om me heen zijn blijven staan (en ook: vóór al die vrienden en dierbaren die volkomen terecht afhaakten).
Voor iedereen die ik ontmoet heb in mijn leven, en die me een deel van de oplossing liet zien – bewust of niet.
Voor alle coaches, psychologen, psychiaters, therapeuten en andere professionele begeleiders die jarenlang hun tanden op me stuk beten. Jullie hadden gelijk: ik moest het uiteindelijk toch zelf doen.
Net als iedereen.

Waarvan akte.

24 juni, 2022.

-.-

Geloof me: ‘X’ gaat geen gelijk krijgen.

Want ik moet nog 50 jaar (door)werken.

Aan.

De.

Inhoud.

En aan mezelf.

——-
(Ik had dit niet kunnen overleven, of verder kunnen leven, zonder de hulp van talloze vrienden, dierbaren, geliefden en andere Engelen om me heen – ik ga ze niet taggen, dan blijf ik bezig. Ze herkennen zich hier vast in, en zo is het goed. Mocht je nou zelf weleens spelen met sombere gedachten of denken aan onnodige en destructieve actie’s: ik hoop juist door dit stuk een beetje kracht mee te geven, een beetje hoop, een andere kant te laten zien. Mocht dat nou niet uitpakken op de manier die ik bedoel, bedenk je dan dat je nooit alleen bent. En dat als je dat toch denkt, er altijd hulp is is de vorm van bijvoorbeeld 113, of De Luisterlijn. Mij mag je ook altijd mailen, maar: ik ben geen prof. Hooguit een ervaringsdeskundige).

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen