Jij dacht dat ik je het geheim ging verklappen van rijk worden? Welnee, joh. Ik zou willen dat ik het wist. Het enige dat ik deed, was zo’n lullig truukje gebruiken om je aandacht te vangen. Wat al die so-called business coaches doen. Met dit verschil: ik ga je niks proberen te verkopen. Geen geheimen (die verklap ik alleen), geen formules, geen programma’s. En nee, ook geen webinar. Ik kom alleen afscheid nemen. Met een paar wijze woorden, waar je hopelijk nog wat aan hebt.

-.-

Het had weinig gescheeld, of ik was makelaar geworden. 

Op aanraden van mijn vader – hoe kan het ook anders? Gelukkig heb ik nog nooit naar hem geluisterd, dus Harry Mens en Cor van Zadelhoff mogen in hun handjes knijpen. Er was ook nog een tijd dat ik even dacht aan de IVA, in Driebergen.

Even, zei ik. 

Want hoewel ik dan nu ongetwijfeld al lang en breed stil had kunnen leven van de bonussen, zag ik mezelf niet jaar in, jaar uit met fout geknoopte stropdassen in slecht zittende C&A pakken mijn rubberzolen minzaam tegen autobanden schoppen. Om vervolgens het oude vrouwtje (waar-ie altijd binnen had gestaan) nog een poot van 50 euro éxtra uit te draaien op de inruilprijs.

Geen makelaar, dus.

En geen autoverkoper.

Dus wat kies je dan uit het rijtje ‘meest foute beroepen ooit’? (en nee, ik heb dat lijstje niet verzonnen, het bestaat echt).

Juist: reclamemaker. 

Hoewel: kiezen? Eigenlijk ben ik er per ongeluk ingerold. 

En is het allemaal (alles, ja!) de schuld van Paul Meijer, over wie ik op m’n 18e een artikel las in het blad MAN – toen ik 6 weken voor mijn eindexamen Gymnasium iedereen een dikke vinger gaf. En dacht: “de groeten met al dat gestudeer, dat ge-hockey en dat traineeship straks bij Unilever”.

Ik heb het Geweten. 

En ik heb het Geleefd. 

Ik heb het Gedaan. 

Ik heb het Gevoeld.

Ik heb het Vervloekt. 

Omarmd. Gehaat. Liever gehad dan lief.

En: ik heb het Overleefd. Ternauwernood, maar toch.

En nu? Nu is het klaar. Op de manier waarop ik het altijd deed. Ik vond er al jaren geen flikker meer aan, had altijd al moeite met de rubberen processen en de werkelijke drijfveren achter het doel om méér te verkopen. Méér dingen die we niet nodig hebben, méér dingen waar we niet op zitten te wachten. De zin. En vooral: de onzin van al die dingen.

Daarnaast: het ‘vak’, voor zover je daarover kunt spreken, is ook veranderd. Dat is prima, daar niet van. Zo gaat het. En daar ga je in mee. Of niet.

Ik niet. Ik verkies creativiteit met massale impact boven gefröbel in de marge van de krochten van het web. Ik verkies wérkelijke gedrevenheid boven data-driven. Komt binnenkort ook nog een blogpostje over, wedden?

Goed, even terug. Naar waar we waren.

Als ik kijk naar het afgelopen jaar, is alles wat ik met liefde deed, gelukt.

Dat was maar één project. Of nee, ik moet niet liegen: twee. Vooruit: drie. Alles wat ik voor het geld deed, was… tja. Wat zal ik zeggen?

Het was. Meer niet. Minder ook niet. Het brengt me niks. Ik groei er niet van. De energie lekt weg. Het lichaam gaat protesteren. En ik word er niet aardiger op, vooral niet naar mijn nabije omgeving. 

Laat staan naar mezelf.

En daar kwam opeens (ik weet het, ik weet het: aan de late kant) een striking insight.

Ik ben al jaren bezig om mezelf steeds opnieuw uit te vinden.

In plaats van bezig om mezelf te vinden.

Ik ben de hele tijd aan het Doen, in plaats van aan het Zijn.

Best grappig.

Want nadat ik rakelings langs makelaar en autoverkoper schoot, en zogenaamd reclamemaker werd, dacht ik ook nog even * …kuch… * business coach te worden. 

Terwijl ik, sinds ik nu een paar jaar in dat wereldje vanaf de zijlijn toekijk hoe iedereen over elkaar heen buitelt om zijn of haar minimale aantal maandelijkse leads via webinarretjes en funneltjes probeert binnen te harken, geen beroepsgroep fouter vind dan de slappe aftreksels van Tony Robbins en hijgerige kloontjes van Tim Ferris. 

Het jat als de raven, likt zichzelf bij elkaar naar binnen en heeft 9 van de 10 keer niet zelf doorleeft wat men tijdens duurverkochte eventjes van de bühne probeert te schreeuwen, ondertussen modellerend wat ze uit ‘I Am Not Your Guru’ konden onthouden – “Let me see hands…!”, op de beat van Frankie Vally’s ‘Relight my fire’.

Wat een ellende.

Dus ja, ook daarover schreef ik recent een artikeltje. Dat er al héél lang uit moest. ’10 Dingen Die Ze Je Niet Vertellen Over Businesscoaches, Voordat Je Er Aan Begint’, heet het. En ook deze is niet onaardig geworden, al zeg ik het zelf. Hoewel: niet onaardig? Zelden heb ik de pen zó diep in het vitriool gestoken. Het enige punt is: het werd een nogal lang artikeltje. Blijkbaar vind ik er iets van. En het werd zelfs zo lang, zeg maar gerust: een half boek, dat ik zeker weet dat jullie het nooit in één keer uit gaan lezen.

Maar: kijk ik ook wel naar mezelf?
Is er nog wel sprake van zelfrecflectie?
Contemplatie?
Kritiek op mezelf?
Kijk ik nog wel naar mijn eigen gedrag, of loop ik alleen maar een beetje te schoppen en te wijzen?

Geloof me: driewerf ja. Het is er. Meer dan me lief was, zelfs, het afgelopen jaar.

Maar daar moest ik schijnbaar ‘even’ doorheen.

Zo kwam ik erachter dat ik wel de hele tijd aan andere mensen mee kan geven waar hun grootste talent ligt, wat hen drijft, hoe ze dat in de wereld zouden moeten zetten en dat ze vooral moeten snappen dat ze alleen gelukkig worden van Doen Waar Ze Voor Gemaakt Zijn.

Maar dat ik daar zelf totaal niet naar leefde.

Zo kwam ik erachter dat ik ook verre van congruent (ja, zoek maar even op: moeilijk woord) was. Het één zeggen, en het vervolgens niet doen. Of het ander roepen, en daar dan niet naar handelen.

Of nou ja: ‘erachter komen’? Diep van binnen weet ik het natuurlijk al jaren.

De hele tijd zeggen dat ik stop met reclamemaken, en vervolgens wel elke keer nog klussen aanpakken.

Steeds beweren dat het je geen reet interesseert wat ‘de rest van de wereld vindt’, en je ondertussen druk maken of mensen je nog wel leuk, interessant of aardig vinden.

Stiekem al sinds je 7de weten wat je eigenlijk bent, wilt, moet, niet anders kunt, voor in de wieg gelegd bent en daar vervolgens heel hard voor wegrennen omdat je 700 kleuren schijt – en denkt dat je niet goed genoeg bent.

Het afgelopen jaar besloot voor mij dat het Wel Welletjes was.

Met dat kinderachtige geneuzel.

Dat constante niet-kiezen.

Het halfslachtig van het ene op het andere been hinken (terwijl ik er -letterlijk- steeds moeilijker van ging lopen).

-.-

Op 3 april overleed mijn oudste beste vriend.

Van de ene op de andere nacht.

Net zo oud als ik.

Niemand die het van links aan zag komen. Of van rechts.

Binnen een minuut was hij weg. Een vingerknip. Een zucht. Stof op de wind. The blink of an eye – in minder dan de tijd die het kost om 112 te bellen.

Iets met z’n aorta.

We hadden elkaar al een half jaar niet gezien. Hij druk. Ik druk. Hij vooral met werk & gezin. Ik vooral met niet-kiezen. Ik schreef er dit stukje over. Recht uit mijn hart. Het is -tot nu toe- mijn best gelezen artikel ooit. We zitten al ver over de 200.000 heen, still counting.

Maar: daar liet ik het niet bij.

Ik besloot me nu eens wél te houden aan mijn belofte – het is nogal wat als je die uitspreekt naast een doodskist met het bijna nog warme lichaam van je vriend erin.

Al jaren liep ik rond met een idee voor een serie boeken (je dacht toch niet dat ik er maar ééntje ging maken, hoop ik?), en dat idee lag maar te liggen. Ik schreef het uit, op de manier zoals ik het gewend ben om ideeën te presenteren, en slingerde het – heel selectief uiteraard – de wereld in.

Dat werkte. To put it mildly.

Drie weken geleden tekende ik een contract bij literair agent Marianne Schönbach, gelijk maar voor de wereldwijde rechten, waarin ik me er aan committeer in elk geval de eerste twee manuscripten eind januari in te leveren. Ik geloofde het zelf eerst ook niet, hoor. En tegenwoordig ga ik ’s ochtends niet achter het toetsenbord zitten, zonder mezelf eerst even in de arm te knijpen. Maar het is toch echt waar. Het is geen spel meer, het is serious shit. Kijk, hier staat het zelfs, op hun site. Ik ben gewoon opeens ‘auteur’. 

Of: opeens? Nee, dat is natuurlijk precies waar het om gaat.
Waar dit om gaat.
Wat mijn Onderliggende Boodschap is.

Ik Ben het al de hele tijd, mijn hele leven. Alleen Deed ik er niks mee.

En nee: natuurlijk ging dat niet zonder slag of stoot, van april tot en met november. Eigenwijze irritante ettertjes als ik, die al zo lang niet willen luisteren naar Het Leven, moeten maar voelen. Voordat het tot ze doordringt. Eindelijk.

Dus natuurlijk stapte ik van april tot met november werkelijk in álle valkuilen die je je maar kunt bedenken bij mij. En die ik zelf al honderden keren vanaf de bodem heb bestudeerd. Allemaal kwamen ze nog een keer langs. In hoog tempo, als een soort film die aan je voorbij schijnt te trekken vlak voordat je dood gaat. Maar dan in het echt. Eindexamen: “En-Nu-Nooit-Meer-Doen, Hé?’. Of beter: een Master.

#pats #boem #auw #hier #pakaan #ennogéén #daar

Gek werd ik ervan. Alles wat ik deed wat niet met schrijven te maken had, mislukte.

Mijn zelfvertrouwen slonk tot onzichtbare afmetingen – waar ik ook keek en zocht: geen spatje meer te bekennen. En zelfs het lijf, dat trouwe, oersterke, uit niets dan Viking-genen opgebouwde medische wonder dat al 100x dood had moeten neervallen, gaf er de brui aan. Krakend kwam het tot stilstand. In al z’n voegen, en gewrichten. Er waren dagen dat ik niet eens meer kon opstaan uit bed, laat staan lopen.

Als mensen die ik coach mij dat soort verhalen vertellen, dan lach ik altijd liefdevol. En vertel ze dat dat logisch is: ze zitten immers in de één na laatste fase van de Reis van de Held, de 11e stap. De erop-of-eronder-fase. Die waar ze tot in het uiterste, tot aan de randen van hun waanzin soms, getergd worden. En getest.

Die fase komt er namelijk altijd, zeker Als Het Belangrijk Is.

In de mythologie heet die één-na-laatste stap, heel archaïsch: “Dood & Wederopstanding” (waarbij de Dood wel zeker, maar de Wederopstanding nog altijd facultatief is – ligt namelijk helemaal aan jezelf). Joseph Campbell beschreef dat als: “De tegenstander heeft nog een laatste aanval of test in petto. De held weerstaat deze aanval of doorstaat de test, waarmee hij laat zien dat hij zijn les geleerd heeft en bereid is desnoods een offer te brengen, ook al is dat zijn eigen leven. Hij moet zijn rug rechten en gaan staan voor zijn principes”.

Zo dan. Lekker. 

“Aanval, offers, principes, rechte ruggen”.

Het is niet voor niets dat ik het dan voor mensen altijd wat laconieker, wat luchtiger breng. Aan de hand van voorbeelden uit films, die (zoals ik mijn oudste zoon vanaf zijn 5e al vertelde) áltijd opgebouwd zijn volgens dat vaste stramien van de Reis van De Held. Wat geen toeval is, het is nu eenmaal formule van het leven. De Wet Van Hoe Het Nu Eenmaal Gaat.

Het voorbeeld dat ik altijd het liefste gebruik, is die uit de James Bond films.

Dat moment, een minuut of 15 voor het einde van de film, waarin James en de schurk eindelijk fysiek tegenover elkaar staan. Man tegen man. Geen gadgets of horden gorilla’s eromheen. Gewoon: met de blote hand. Althans, James dan. De schurk heeft natuurlijk nog wél een pistool. Of een mes. En James is duidelijk aan het eind van z’n Latijn (duurt ook best lang, zo’n film). Dus… de schurk lijkt eerst aan de winnende hand. Beuk na beuk incasseert onze Held. Kapot gaat-ie. Waardoor de schurk, overmoedig geworden, er helemaal een spelletje van gaat maken. En nog even afwacht met het overhalen van de trekker. Vriend James staat op het punt het onderspit te delven, totaal tot moes geslagen te worden.
 
#pats #boem #auw #hier #pakaan #ennogéén #daar

Maar: door z’n nimmer aflatende inventiviteit (en een duikfles, een afgebroken tafelpoot, een autovelg of een computerscherm dat toevallig binnen handbereik ligt), weet hij de schurk z’n wapen te ontfutselen. Met een aller-, aller-, allerlaatste krachtsinspanning schopt hij vervolgens schurk’s knie aan gort. En haalt nog twee keer uit: één met rechts op de Solar Plexus. En dan met links – direct op de kin. De  boef zakt ineen, en Bond geeft hem de genadeslag – een trap op het strottenhoofd. Mors. Dood. Als een pier.

Denken we.

James keert zich, zwaar bebloed en gehavend, naar de kijker toe. Een zucht van verlichting bij het publiek. Loopt het gelukkig toch nog goed af.

Denken we.

Want wat zien we daar? Achter James’ rug? Nee..!!?? De hand van de schurk beweegt even, z’n vingers krommen zich. En James… James heeft niks in de gaten! “Om my God, James, draai je nou om man, kijk nu achter je -hij leeft nog!”

En dan, nét als de gekromde vingers gevaarlijk dicht bij het pistool zijn dat uitgerekend vlakbij de schurk lag, voelt James iets. Hij draait zich om en met krachten waarvan-ie niet meer wist dat-ie ze had, schopt hij de losliggende elektriciteitskabel naar de boef. Die daardoor nu echt dood neerstort – 2000 Volt, dat overleeft niemand.

Nou kijk, en zo was mijn jaar ook een beetje. Jullie zaten allemaal op het puntje van je stoel. Wachtend (of hopend) dat ik het loodje zou leggen. Maar niks hoor. Ik heb nog 3 levens over. Van de 9.

Dus ik heb lekker tóch gewonnen.

Op 5 oktober was dat trouwens, om precies te zijn. Want, ja. Daar schrijf je dan een stukje over. Althans: ik wel.

Zo. Dus dat was dat.

Mooi geweest. Basta. Zeg maar dag met je handje.

Ik Stop Met Werken.

Met Zwoegen.

Met Ploeteren.

Met Akkeren.

Met Het Zweet Des Aanschijns.

Ik ga doen Wat Ik Te Doen Heb.

Hoog tijd, want als ik zoveel woorden aan mijn boek getyped had in plaats van deze nieuwsbrief, had ik nu al twee hoofdstukken verder geweest. Wat zeg ik? Drie.

Ik wens jullie een mooi jaar toe.

Met veel Zijn. En weinig Doen.

Maak er wat van.

Dan doe ik het ook.



Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Jij dacht dat ik je het geheim ging verklappen van rijk worden? Welnee, joh. Ik zou willen dat ik het wist. Het enige dat ik deed, was zo’n lullig truukje gebruiken om je aandacht te vangen. Wat al die so-called business coaches doen. Met dit verschil: ik ga je niks proberen te verkopen. Geen geheimen (die verklap ik alleen), geen formules, geen programma’s. En nee, ook geen webinar. Ik kom alleen afscheid nemen. Met een paar wijze woorden, waar je hopelijk nog wat aan hebt.

-.-

Het had weinig gescheeld, of ik was makelaar geworden. 

Op aanraden van mijn vader – hoe kan het ook anders? Gelukkig heb ik nog nooit naar hem geluisterd, dus Harry Mens en Cor van Zadelhoff mogen in hun handjes knijpen. Er was ook nog een tijd dat ik even dacht aan de IVA, in Driebergen.

Even, zei ik. 

Want hoewel ik dan nu ongetwijfeld al lang en breed stil had kunnen leven van de bonussen, zag ik mezelf niet jaar in, jaar uit met fout geknoopte stropdassen in slecht zittende C&A pakken mijn rubberzolen minzaam tegen autobanden schoppen. Om vervolgens het oude vrouwtje (waar-ie altijd binnen had gestaan) nog een poot van 50 euro éxtra uit te draaien op de inruilprijs.

Geen makelaar, dus.

En geen autoverkoper.

Dus wat kies je dan uit het rijtje ‘meest foute beroepen ooit’? (en nee, ik heb dat lijstje niet verzonnen, het bestaat echt).

Juist: reclamemaker. 

Hoewel: kiezen? Eigenlijk ben ik er per ongeluk ingerold. 

En is het allemaal (alles, ja!) de schuld van Paul Meijer, over wie ik op m’n 18e een artikel las in het blad MAN – toen ik 6 weken voor mijn eindexamen Gymnasium iedereen een dikke vinger gaf. En dacht: “de groeten met al dat gestudeer, dat ge-hockey en dat traineeship straks bij Unilever”.

Ik heb het Geweten. 

En ik heb het Geleefd. 

Ik heb het Gedaan. 

Ik heb het Gevoeld.

Ik heb het Vervloekt. 

Omarmd. Gehaat. Liever gehad dan lief.

En: ik heb het Overleefd. Ternauwernood, maar toch.

En nu? Nu is het klaar. Op de manier waarop ik het altijd deed. Ik vond er al jaren geen flikker meer aan, had altijd al moeite met de rubberen processen en de werkelijke drijfveren achter het doel om méér te verkopen. Méér dingen die we niet nodig hebben, méér dingen waar we niet op zitten te wachten. De zin. En vooral: de onzin van al die dingen.

Daarnaast: het ‘vak’, voor zover je daarover kunt spreken, is ook veranderd. Dat is prima, daar niet van. Zo gaat het. En daar ga je in mee. Of niet.

Ik niet. Ik verkies creativiteit met massale impact boven gefröbel in de marge van de krochten van het web. Ik verkies wérkelijke gedrevenheid boven data-driven. Komt binnenkort ook nog een blogpostje over, wedden?

Goed, even terug. Naar waar we waren.

Als ik kijk naar het afgelopen jaar, is alles wat ik met liefde deed, gelukt.

Dat was maar één project. Of nee, ik moet niet liegen: twee. Vooruit: drie. Alles wat ik voor het geld deed, was… tja. Wat zal ik zeggen?

Het was. Meer niet. Minder ook niet. Het brengt me niks. Ik groei er niet van. De energie lekt weg. Het lichaam gaat protesteren. En ik word er niet aardiger op, vooral niet naar mijn nabije omgeving. 

Laat staan naar mezelf.

En daar kwam opeens (ik weet het, ik weet het: aan de late kant) een striking insight.

Ik ben al jaren bezig om mezelf steeds opnieuw uit te vinden.

In plaats van bezig om mezelf te vinden.

Ik ben de hele tijd aan het Doen, in plaats van aan het Zijn.

Best grappig.

Want nadat ik rakelings langs makelaar en autoverkoper schoot, en zogenaamd reclamemaker werd, dacht ik ook nog even * …kuch… * business coach te worden. 

Terwijl ik, sinds ik nu een paar jaar in dat wereldje vanaf de zijlijn toekijk hoe iedereen over elkaar heen buitelt om zijn of haar minimale aantal maandelijkse leads via webinarretjes en funneltjes probeert binnen te harken, geen beroepsgroep fouter vind dan de slappe aftreksels van Tony Robbins en hijgerige kloontjes van Tim Ferris. 

Het jat als de raven, likt zichzelf bij elkaar naar binnen en heeft 9 van de 10 keer niet zelf doorleeft wat men tijdens duurverkochte eventjes van de bühne probeert te schreeuwen, ondertussen modellerend wat ze uit ‘I Am Not Your Guru’ konden onthouden – “Let me see hands…!”, op de beat van Frankie Vally’s ‘Relight my fire’.

Wat een ellende.

Dus ja, ook daarover schreef ik recent een artikeltje. Dat er al héél lang uit moest. ’10 Dingen Die Ze Je Niet Vertellen Over Businesscoaches, Voordat Je Er Aan Begint’, heet het. En ook deze is niet onaardig geworden, al zeg ik het zelf. Hoewel: niet onaardig? Zelden heb ik de pen zó diep in het vitriool gestoken. Het enige punt is: het werd een nogal lang artikeltje. Blijkbaar vind ik er iets van. En het werd zelfs zo lang, zeg maar gerust: een half boek, dat ik zeker weet dat jullie het nooit in één keer uit gaan lezen.

Maar: kijk ik ook wel naar mezelf?
Is er nog wel sprake van zelfrecflectie?
Contemplatie?
Kritiek op mezelf?
Kijk ik nog wel naar mijn eigen gedrag, of loop ik alleen maar een beetje te schoppen en te wijzen?

Geloof me: driewerf ja. Het is er. Meer dan me lief was, zelfs, het afgelopen jaar.

Maar daar moest ik schijnbaar ‘even’ doorheen.

Zo kwam ik erachter dat ik wel de hele tijd aan andere mensen mee kan geven waar hun grootste talent ligt, wat hen drijft, hoe ze dat in de wereld zouden moeten zetten en dat ze vooral moeten snappen dat ze alleen gelukkig worden van Doen Waar Ze Voor Gemaakt Zijn.

Maar dat ik daar zelf totaal niet naar leefde.

Zo kwam ik erachter dat ik ook verre van congruent (ja, zoek maar even op: moeilijk woord) was. Het één zeggen, en het vervolgens niet doen. Of het ander roepen, en daar dan niet naar handelen.

Of nou ja: ‘erachter komen’? Diep van binnen weet ik het natuurlijk al jaren.

De hele tijd zeggen dat ik stop met reclamemaken, en vervolgens wel elke keer nog klussen aanpakken.

Steeds beweren dat het je geen reet interesseert wat ‘de rest van de wereld vindt’, en je ondertussen druk maken of mensen je nog wel leuk, interessant of aardig vinden.

Stiekem al sinds je 7de weten wat je eigenlijk bent, wilt, moet, niet anders kunt, voor in de wieg gelegd bent en daar vervolgens heel hard voor wegrennen omdat je 700 kleuren schijt – en denkt dat je niet goed genoeg bent.

Het afgelopen jaar besloot voor mij dat het Wel Welletjes was.

Met dat kinderachtige geneuzel.

Dat constante niet-kiezen.

Het halfslachtig van het ene op het andere been hinken (terwijl ik er -letterlijk- steeds moeilijker van ging lopen).

-.-

Op 3 april overleed mijn oudste beste vriend.

Van de ene op de andere nacht.

Net zo oud als ik.

Niemand die het van links aan zag komen. Of van rechts.

Binnen een minuut was hij weg. Een vingerknip. Een zucht. Stof op de wind. The blink of an eye – in minder dan de tijd die het kost om 112 te bellen.

Iets met z’n aorta.

We hadden elkaar al een half jaar niet gezien. Hij druk. Ik druk. Hij vooral met werk & gezin. Ik vooral met niet-kiezen. Ik schreef er dit stukje over. Recht uit mijn hart. Het is -tot nu toe- mijn best gelezen artikel ooit. We zitten al ver over de 200.000 heen, still counting.

Maar: daar liet ik het niet bij.

Ik besloot me nu eens wél te houden aan mijn belofte – het is nogal wat als je die uitspreekt naast een doodskist met het bijna nog warme lichaam van je vriend erin.

Al jaren liep ik rond met een idee voor een serie boeken (je dacht toch niet dat ik er maar ééntje ging maken, hoop ik?), en dat idee lag maar te liggen. Ik schreef het uit, op de manier zoals ik het gewend ben om ideeën te presenteren, en slingerde het – heel selectief uiteraard – de wereld in.

Dat werkte. To put it mildly.

Drie weken geleden tekende ik een contract bij literair agent Marianne Schönbach, gelijk maar voor de wereldwijde rechten, waarin ik me er aan committeer in elk geval de eerste twee manuscripten eind januari in te leveren. Ik geloofde het zelf eerst ook niet, hoor. En tegenwoordig ga ik ’s ochtends niet achter het toetsenbord zitten, zonder mezelf eerst even in de arm te knijpen. Maar het is toch echt waar. Het is geen spel meer, het is serious shit. Kijk, hier staat het zelfs, op hun site. Ik ben gewoon opeens ‘auteur’. 

Of: opeens? Nee, dat is natuurlijk precies waar het om gaat.
Waar dit om gaat.
Wat mijn Onderliggende Boodschap is.

Ik Ben het al de hele tijd, mijn hele leven. Alleen Deed ik er niks mee.

En nee: natuurlijk ging dat niet zonder slag of stoot, van april tot en met november. Eigenwijze irritante ettertjes als ik, die al zo lang niet willen luisteren naar Het Leven, moeten maar voelen. Voordat het tot ze doordringt. Eindelijk.

Dus natuurlijk stapte ik van april tot met november werkelijk in álle valkuilen die je je maar kunt bedenken bij mij. En die ik zelf al honderden keren vanaf de bodem heb bestudeerd. Allemaal kwamen ze nog een keer langs. In hoog tempo, als een soort film die aan je voorbij schijnt te trekken vlak voordat je dood gaat. Maar dan in het echt. Eindexamen: “En-Nu-Nooit-Meer-Doen, Hé?’. Of beter: een Master.

#pats #boem #auw #hier #pakaan #ennogéén #daar

Gek werd ik ervan. Alles wat ik deed wat niet met schrijven te maken had, mislukte.

Mijn zelfvertrouwen slonk tot onzichtbare afmetingen – waar ik ook keek en zocht: geen spatje meer te bekennen. En zelfs het lijf, dat trouwe, oersterke, uit niets dan Viking-genen opgebouwde medische wonder dat al 100x dood had moeten neervallen, gaf er de brui aan. Krakend kwam het tot stilstand. In al z’n voegen, en gewrichten. Er waren dagen dat ik niet eens meer kon opstaan uit bed, laat staan lopen.

Als mensen die ik coach mij dat soort verhalen vertellen, dan lach ik altijd liefdevol. En vertel ze dat dat logisch is: ze zitten immers in de één na laatste fase van de Reis van de Held, de 11e stap. De erop-of-eronder-fase. Die waar ze tot in het uiterste, tot aan de randen van hun waanzin soms, getergd worden. En getest.

Die fase komt er namelijk altijd, zeker Als Het Belangrijk Is.

In de mythologie heet die één-na-laatste stap, heel archaïsch: “Dood & Wederopstanding” (waarbij de Dood wel zeker, maar de Wederopstanding nog altijd facultatief is – ligt namelijk helemaal aan jezelf). Joseph Campbell beschreef dat als: “De tegenstander heeft nog een laatste aanval of test in petto. De held weerstaat deze aanval of doorstaat de test, waarmee hij laat zien dat hij zijn les geleerd heeft en bereid is desnoods een offer te brengen, ook al is dat zijn eigen leven. Hij moet zijn rug rechten en gaan staan voor zijn principes”.

Zo dan. Lekker. 

“Aanval, offers, principes, rechte ruggen”.

Het is niet voor niets dat ik het dan voor mensen altijd wat laconieker, wat luchtiger breng. Aan de hand van voorbeelden uit films, die (zoals ik mijn oudste zoon vanaf zijn 5e al vertelde) áltijd opgebouwd zijn volgens dat vaste stramien van de Reis van De Held. Wat geen toeval is, het is nu eenmaal formule van het leven. De Wet Van Hoe Het Nu Eenmaal Gaat.

Het voorbeeld dat ik altijd het liefste gebruik, is die uit de James Bond films.

Dat moment, een minuut of 15 voor het einde van de film, waarin James en de schurk eindelijk fysiek tegenover elkaar staan. Man tegen man. Geen gadgets of horden gorilla’s eromheen. Gewoon: met de blote hand. Althans, James dan. De schurk heeft natuurlijk nog wél een pistool. Of een mes. En James is duidelijk aan het eind van z’n Latijn (duurt ook best lang, zo’n film). Dus… de schurk lijkt eerst aan de winnende hand. Beuk na beuk incasseert onze Held. Kapot gaat-ie. Waardoor de schurk, overmoedig geworden, er helemaal een spelletje van gaat maken. En nog even afwacht met het overhalen van de trekker. Vriend James staat op het punt het onderspit te delven, totaal tot moes geslagen te worden.
 
#pats #boem #auw #hier #pakaan #ennogéén #daar

Maar: door z’n nimmer aflatende inventiviteit (en een duikfles, een afgebroken tafelpoot, een autovelg of een computerscherm dat toevallig binnen handbereik ligt), weet hij de schurk z’n wapen te ontfutselen. Met een aller-, aller-, allerlaatste krachtsinspanning schopt hij vervolgens schurk’s knie aan gort. En haalt nog twee keer uit: één met rechts op de Solar Plexus. En dan met links – direct op de kin. De  boef zakt ineen, en Bond geeft hem de genadeslag – een trap op het strottenhoofd. Mors. Dood. Als een pier.

Denken we.

James keert zich, zwaar bebloed en gehavend, naar de kijker toe. Een zucht van verlichting bij het publiek. Loopt het gelukkig toch nog goed af.

Denken we.

Want wat zien we daar? Achter James’ rug? Nee..!!?? De hand van de schurk beweegt even, z’n vingers krommen zich. En James… James heeft niks in de gaten! “Om my God, James, draai je nou om man, kijk nu achter je -hij leeft nog!”

En dan, nét als de gekromde vingers gevaarlijk dicht bij het pistool zijn dat uitgerekend vlakbij de schurk lag, voelt James iets. Hij draait zich om en met krachten waarvan-ie niet meer wist dat-ie ze had, schopt hij de losliggende elektriciteitskabel naar de boef. Die daardoor nu echt dood neerstort – 2000 Volt, dat overleeft niemand.

Nou kijk, en zo was mijn jaar ook een beetje. Jullie zaten allemaal op het puntje van je stoel. Wachtend (of hopend) dat ik het loodje zou leggen. Maar niks hoor. Ik heb nog 3 levens over. Van de 9.

Dus ik heb lekker tóch gewonnen.

Op 5 oktober was dat trouwens, om precies te zijn. Want, ja. Daar schrijf je dan een stukje over. Althans: ik wel.

Zo. Dus dat was dat.

Mooi geweest. Basta. Zeg maar dag met je handje.

Ik Stop Met Werken.

Met Zwoegen.

Met Ploeteren.

Met Akkeren.

Met Het Zweet Des Aanschijns.

Ik ga doen Wat Ik Te Doen Heb.

Hoog tijd, want als ik zoveel woorden aan mijn boek getyped had in plaats van deze nieuwsbrief, had ik nu al twee hoofdstukken verder geweest. Wat zeg ik? Drie.

Ik wens jullie een mooi jaar toe.

Met veel Zijn. En weinig Doen.

Maak er wat van.

Dan doe ik het ook.



Delen is het nieuwe vermenigvuldigen