Nondeju, je komt nog eens ergens, als Professional Outsider.

En je maakt wat mee: what a ride, zo’n road trip door religieus Vlaanderen.

Nu had mijn projectpartner Paul er de vorige keren al een handje van (en een uitzonderlijke neus voor) om me bij precies de juiste mensen aan tafel te zetten, op precies het juiste moment. Maar gisteren spande wel de kroon. Van 06:30 tot 22:37 onafgebroken in de hyperfocus, schakelend tussen het ene uiterste van het spectrum, en het andere – en alles wat er tussen ligt. Letterlijk.

Ik heb de foto’s op Facebook expres door elkaar heen gemixed, om jullie net zo in de war te maken als ik was.

Daar zat ik. Opzuigend, puzzelend, intunend, krakend, zoekend, gravend, verbanden leggend die voor de hand liggen, maar nog nooit zijn benoemd. Een caleidoscoop van indrukken, een tsunami van prikkels, een krankzinnig pallet van wat er zich in mijn brein nestelde gisteren. Van oud, krampachtig & uitstervend tot hypermodern, visionair en zelfs vooruitlopend op de tijdgeest. Maar, in welke verschijningsvorm dan ook: allemaal met liefde. Met toewijding. En voor een Groter Goed, een Hoger Doel – wat je daar ook van mag vinden.

We begonnen bij Bedevaarten Bisdom Gent, om precies te zijn ‘Oostakker-Lourdes’. En daar sta je dan, voor de eerste keer in je leven op een bedevaartsplek. Althans, dat dacht ik. Want ik leerde er dat ik – potdomme – opgegroeid ben in een bedevaartstoord!

Wat ik (en anderen) al jaren ‘Zwart Nazareth‘ noem, het tergend grijsgrauwe Schiedam, blijkt gewoon een gewijde plaats waar ooit een Heilige leefde – volgens de Rooms Katholieke Kerk dan. St. Liduina heette, ze en er staat zelfs een heuse basiliek ter verering van deze dame die vanaf 15-jarige leeftijd na een schaatsongeluk bedlegerig (mooi woord!) werd, en volgens de analen talloze zieken op wonderbaarlijke wijze genas.

Had mijn moeder het maar geweten, denk ik dan.

Nu ja, ze wist het het wel, maar ja: ‘wij’ waren van de gereformeerde kerk. Het aanbidden van beelden en Heiligen was dus ‘not done’ – in plaats daarvan probeerde ze haar reuma te bestrijden met kilo’s prednison, goud-injecties, de bio-armbandjes van Nico Haak (wie kent ze nog?) en als niets meer hielp maar weer gewoon een kunstgewricht ergens. Op het laatst bestond ze voor zo’n 50% uit artificiële onderdelen – op zich al een mooie reden om Heilig verklaard te worden. Nu ja: Zalig, op z’n minst.

Goed, ik dwaal af. Zoals altijd. Op deze plek in Oostakker besloot een Markiezin ooit een ‘Maria-grot’ te maken. Nooit van gehoord, maar er blijken ook in Nederland meer dan 400 van deze semi-Eftelingachtige bouwwerken te staan. Je gelooft het niet. Maar velen dus wel: per jaar stromen er 400.000 (!) mensen naar deze plek om een kaarsje te branden, een schietgebedje te doen, de plaatselijk winkel leeg te kopen en te verlossen van haar voorraad rozenkransen of om een bedanktegeltje op te hangen. Meer dan 8000 hangen er, en je kunt dus gevoegelijk aannemen dat er in de ogen van de gelovigen nog dagelijks wonderen gebeuren. En ja, die miraculeuze genezing van de open beenbreuk waarmee het circus hier in 1874 begon is écht bewezen, door medici – schijnt. Er werd ook gesproken van röntgenfoto’s, maar persoonlijk lijkt me dat sterk: de eerste werd pas een dikke 20 jaar later gemaakt.

Anyways, het doet er niet toe. Waar het om gaat, is dat er dus velen zijn die hier verlichting zoeken én krijgen. Is ook wat waard – anderen gaan weer naar Tonny Robbins of een paar maanden zuipen met een rugzak in Thailand onder het mom van een ‘tussenjaar’.

Het is maar waar je in wil geloven.

Ondertussen is het te hopen voor de priester daar, en de zich langzaam weer om hem heen vormende monastieke leefgemeenschap, dat er binnenkort 2,5 miljoen euro uit de hemel komt vallen – het dak van de basiliek dient te worden gerenoveerd. Dan kan je wel 400.000 bezoekers per jaar hebben, als je geen emailadressen verzamelt, niet weet dat er Google Analytics bestaat en bij het woord ‘MailChimp’ kijkt of je een rozenstruik ziet branden, dan kan je niet anders dan heel hard bidden. Denk ik. Dan.

Gaat het dan niks worden? Dat zeg ik niet. Ik zie in elk geval wél inzet, daadkracht en een jaloersmakend vertrouwen in de Goede Afloop. En toch loop ik wat in mineur terug naar de auto, de schouders licht afgezakt, langs de speeltuin die het geheel helemaal wat attractie-achtig maakt, en denk: “Mijn God, wat is er nog een hoop te doen”. Gelukkig heb ik 3 jaar de tijd, in dit project.

We richten de neus naar Gent, waar ik nog steeds een beetje lauwloenen aankom. Het ontbreken van een welstandscommissie in België hielp niet mee op de weg daarheen – ik ben wel van buiten de lijntjes en iedereen zijn Goddelijke gang laten gaan, maar de tristesse die dat hier de doorgaande wegen brengt, aan weerszijden dan, is bijkans dodelijk. De ene lelijke puist na de andere slechte dag van een architect trekt voorbij. Een allegaartje van kermisklantenvilla’s tot semimoderne schakelbungalows met het uiterlijk van een bunker – wansmaak is er nog een te ambiëren eigenschap bij.

Mijn depressie-to-be wordt onmiddellijk de kop ingedrukt met de omslagsnelheid van een borderliner, als ik aan kom lopen bij de volgende stempelpost: de Clemenspoort. En meer dan hartelijk wordt ontvangen, nee: onthaald, door de grote roerganger aldaar: Walter van Wouwe. Al bij aankomst zie ik aan het logo op de muur dat hier een professioneel bureau op ingeschakeld werd, de architectuur doet Italiaans aan (wat ook zo bleek te zijn) en de duizend latten (waarvan je er een kunt sponsoren) met het weggelaten kruis verraden conceptuele denkkracht.

Met de overtuigingskracht van Semco staat Walter buiten te vertellen: over maffia-achtige toestanden, de lobby, projectontwikkelaars, ‘interbellum-architectuur’, verdienmodellen en de 30 miljoen die er in het project ging, zonder op verlies uit te komen.

Zo.

Hoort.

Het.

Ook Walter is gelovig, een soms gezond twijfelende Redemptoristen-leek, maar wel één die met beide smaakvol geschoeide benen midden in de echte wereld staat. Als hij net zo charismatisch zieltjes wint of het Evangelie verkondigt als hij vurig over zijn kindje vertelt, heb je aan hem een goeie.

Hoewel: ‘zijn’ kindje? Da’s niet helemaal waar. Ook hij werd er toevallig aan het roer gezet, toen de voorvechter van dit project, broeder Guido, in het harnas stierf. Letterlijk. Op de laatste vergadering waarin het ‘wel-of-niet’ besluit zou vallen, liet hij het leven. Staande de meeting.

Het is ook niet voor nils dat zijn ‘lat’ tegenover een gedenkteken staat, met daarop Deuteronomium 24 – een Bijbeltekst over Mozes die zijn volk uit de woestijn naar Het Beloofde Land leidde, en niet verder kwam dan de aanblik ervan vanaf de berg Nebo. Ook hij zou het nooit betreden. Voor hij zijn voet kon heffen, was het #pats #boem #weg.

Zo gaat dat soms, met Echte Leiders – de weg is niet voor niks het doel.

Walter leidt ons niet voor de eerste keer als bezoekers door het pand, maar toch komt het zo over: zijn energie heeft nergens aan kracht ingeboet. Als een kind zo blij verhaalt hij. Over de kleuren van de kaars, het systeemdenken achter de Italiaanse designstoelen, de 100 vrijwilligers die aan 10 minuten briefing (één keer) genoeg hebben, over zijn inspiratiebronnen (o.a. Sinek & Covey), over de ultramoderne sensoren waarmee het gebouw is uitgerust en het aantal aanwezige bezoekers telt zodat de zelfvoorzienende energiebron zo effectief mogelijk verwarmt, over flexplekken (ook aan de kinderen is gedacht), de regiekamer waarmee gestreamed kan worden, het kruis in de kapel dat verwerkt is in de hoek en 100 lagen van betekenis heeft, over het glas-in-lood verhaal waarin zelfs een homo-koppel is opgenomen en over de kracht van zijn medewerkers, en de zoektocht naar zelfsturende teams. En ook: over zijn twijfel, zijn zoeken naar zin.

Het mooiste is zijn schets op de muur voor de toekomst van het pand, waarvan ik onmiddellijk zie dat-ie die alleen maar geknield heeft kunnen tekenen – zelf had-ie dat nog niet door.

En ja. Ja. Ja. Ook ik maak een mystiek moment mee. Een aparte hekel aan kerken hebbend, en hun dogma’s, hun institutionele arrogantie, stokt mijn adem in de ruimte hier. De lichtheid. De hoop. De liefde. Het perfectionisme, tot in het ultieme. Of aan de ruimte. Ook voor twijfel.

En: het ligt niet alleen aan de architectuur, het aanstekelijke vuur van Walter’s motivatie. Of de bezieling die ik er voel ronddwalen. Niet alleen aan de doordachtheid, het is geen trucje dat ‘van deze tijd’ heet.

Ik kan niet anders dan gaan zitten. En met een grote brok in mijn keel beseffen dat er ook iets aan het gebeuren is in mijzelf – op religieus, nou ja: in elk geval spiritueel gebied. Bescheidenheid, bewondering, devotie en respect is wat mij past daar – ondanks mijn ultrakritische grondhouding, dwangmatige haat richting systemen en rebelse inborst die zich al 40 jaar voornamelijk tegen God & gebod – vooral dat laatste – afzet.

Wat ik ook voel, is dat dit dé plek gaat zijn waarin ik ‘mijn’ oplossing voor dit schier onoplosbare probleem waarvoor ik meegevraagd ben, ga presenteren. Binnen afzienbare tijd, daar heb ik inmiddels geen 3 jaar meer voor nodig. Weet ik. Voel ik.

Waren we er dan? Voor die dag? Nee. Driewerf neen. Hoewel uitgeput (dit keer van hoop en positiviteit), ligt Brugge nog voor ons. Waar we op bezoek gaan bij iemand die in werkelijk geen één hokje te plaatsen is. Sterker nog: ik dacht dat ik lastig was, maar Sofie slaat alles.

Sofie is een halve non, die al haar hele leven rondbanjert in het religieuze landschap. Leerlinge van een beroemde Parijse rabbi, oprichtster van YOT, aanstichtster en voorvechtster van het vrije denken in de katholieke wereld (veelal tegen de keer in), uitbaatster van een kerk en een pastoriewoning, workshopleidster om groepen en organisaties te helpen de juiste (beeld)taal te vinden waarmee ze zich kunnen uitdrukken én eigenaresse van de leukste winkels van Belgie: Symposion – een winkel in woorden. Ja, letterlijk. Ga maar kijken, op die site.

Ondernemender kom ik ze zelden tegen. Want ik vergeet ongetwijfeld talloze activiteiten van haar, die langskwamen in de gesprekken die in straf tempo gevoerd worden als ze ons door Brugge leidt, van de ene plek die we moeten zien naar de andere. En nee: niet het toeristische deel, wat ik zeker ook nog eens moet zien – ze leidt ons langs plekken die voor haar betekenis hebben en waar wij iets aan hebben voor onze zoektocht. De liefde waarmee ze over haar collega’s praat is ongekend, de zorg die ze uitstraalt voor de toekomst van het Gedachtegoed waar zij ondanks haar kritische blik in gelooft voelbaar en ondanks dat woorden haar core-business zijn, heeft ze vooral een luisterend oor. En: aandacht voor anderen.

Als we na het diner nog even naar haar winkel lopen, ze wil ons coûte que coûte wat liefdevolle producten uit haar winkel meegeven naar huis, vertelt ze in de donkere straten van Brugge over de loodgieter uit haar straat, die de dakgoten van de prachtige pandjes repareert en restaureert. En die het niet kan laten om op elk dak dat door zijn handen ging, een vrolijk poppetje van lood achter te laten. Weer: niks over haarzelf – maar een ander in het licht zetten.

Als ik die avond kapot thuiskom in een B&B die verre als van thuis voelt, zie ik dat ze iets in het tasje heeft gestopt waarover ik ergens tussen neus en lippen door een opmerking had gemaakt. Dat het me raakte.

Een Geluksvogel.

Hoe treffend.

Want.

Dat.

Is.

Wat.

Ik.

Ben.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Nondeju, je komt nog eens ergens, als Professional Outsider.

En je maakt wat mee: what a ride, zo’n road trip door religieus Vlaanderen.

Nu had mijn projectpartner Paul er de vorige keren al een handje van (en een uitzonderlijke neus voor) om me bij precies de juiste mensen aan tafel te zetten, op precies het juiste moment. Maar gisteren spande wel de kroon. Van 06:30 tot 22:37 onafgebroken in de hyperfocus, schakelend tussen het ene uiterste van het spectrum, en het andere – en alles wat er tussen ligt. Letterlijk.

Ik heb de foto’s op Facebook expres door elkaar heen gemixed, om jullie net zo in de war te maken als ik was.

Daar zat ik. Opzuigend, puzzelend, intunend, krakend, zoekend, gravend, verbanden leggend die voor de hand liggen, maar nog nooit zijn benoemd. Een caleidoscoop van indrukken, een tsunami van prikkels, een krankzinnig pallet van wat er zich in mijn brein nestelde gisteren. Van oud, krampachtig & uitstervend tot hypermodern, visionair en zelfs vooruitlopend op de tijdgeest. Maar, in welke verschijningsvorm dan ook: allemaal met liefde. Met toewijding. En voor een Groter Goed, een Hoger Doel – wat je daar ook van mag vinden.

We begonnen bij Bedevaarten Bisdom Gent, om precies te zijn ‘Oostakker-Lourdes’. En daar sta je dan, voor de eerste keer in je leven op een bedevaartsplek. Althans, dat dacht ik. Want ik leerde er dat ik – potdomme – opgegroeid ben in een bedevaartstoord!

Wat ik (en anderen) al jaren ‘Zwart Nazareth‘ noem, het tergend grijsgrauwe Schiedam, blijkt gewoon een gewijde plaats waar ooit een Heilige leefde – volgens de Rooms Katholieke Kerk dan. St. Liduina heette, ze en er staat zelfs een heuse basiliek ter verering van deze dame die vanaf 15-jarige leeftijd na een schaatsongeluk bedlegerig (mooi woord!) werd, en volgens de analen talloze zieken op wonderbaarlijke wijze genas.

Had mijn moeder het maar geweten, denk ik dan.

Nu ja, ze wist het het wel, maar ja: ‘wij’ waren van de gereformeerde kerk. Het aanbidden van beelden en Heiligen was dus ‘not done’ – in plaats daarvan probeerde ze haar reuma te bestrijden met kilo’s prednison, goud-injecties, de bio-armbandjes van Nico Haak (wie kent ze nog?) en als niets meer hielp maar weer gewoon een kunstgewricht ergens. Op het laatst bestond ze voor zo’n 50% uit artificiële onderdelen – op zich al een mooie reden om Heilig verklaard te worden. Nu ja: Zalig, op z’n minst.

Goed, ik dwaal af. Zoals altijd. Op deze plek in Oostakker besloot een Markiezin ooit een ‘Maria-grot’ te maken. Nooit van gehoord, maar er blijken ook in Nederland meer dan 400 van deze semi-Eftelingachtige bouwwerken te staan. Je gelooft het niet. Maar velen dus wel: per jaar stromen er 400.000 (!) mensen naar deze plek om een kaarsje te branden, een schietgebedje te doen, de plaatselijk winkel leeg te kopen en te verlossen van haar voorraad rozenkransen of om een bedanktegeltje op te hangen. Meer dan 8000 hangen er, en je kunt dus gevoegelijk aannemen dat er in de ogen van de gelovigen nog dagelijks wonderen gebeuren. En ja, die miraculeuze genezing van de open beenbreuk waarmee het circus hier in 1874 begon is écht bewezen, door medici – schijnt. Er werd ook gesproken van röntgenfoto’s, maar persoonlijk lijkt me dat sterk: de eerste werd pas een dikke 20 jaar later gemaakt.

Anyways, het doet er niet toe. Waar het om gaat, is dat er dus velen zijn die hier verlichting zoeken én krijgen. Is ook wat waard – anderen gaan weer naar Tonny Robbins of een paar maanden zuipen met een rugzak in Thailand onder het mom van een ‘tussenjaar’.

Het is maar waar je in wil geloven.

Ondertussen is het te hopen voor de priester daar, en de zich langzaam weer om hem heen vormende monastieke leefgemeenschap, dat er binnenkort 2,5 miljoen euro uit de hemel komt vallen – het dak van de basiliek dient te worden gerenoveerd. Dan kan je wel 400.000 bezoekers per jaar hebben, als je geen emailadressen verzamelt, niet weet dat er Google Analytics bestaat en bij het woord ‘MailChimp’ kijkt of je een rozenstruik ziet branden, dan kan je niet anders dan heel hard bidden. Denk ik. Dan.

Gaat het dan niks worden? Dat zeg ik niet. Ik zie in elk geval wél inzet, daadkracht en een jaloersmakend vertrouwen in de Goede Afloop. En toch loop ik wat in mineur terug naar de auto, de schouders licht afgezakt, langs de speeltuin die het geheel helemaal wat attractie-achtig maakt, en denk: “Mijn God, wat is er nog een hoop te doen”. Gelukkig heb ik 3 jaar de tijd, in dit project.

We richten de neus naar Gent, waar ik nog steeds een beetje lauwloenen aankom. Het ontbreken van een welstandscommissie in België hielp niet mee op de weg daarheen – ik ben wel van buiten de lijntjes en iedereen zijn Goddelijke gang laten gaan, maar de tristesse die dat hier de doorgaande wegen brengt, aan weerszijden dan, is bijkans dodelijk. De ene lelijke puist na de andere slechte dag van een architect trekt voorbij. Een allegaartje van kermisklantenvilla’s tot semimoderne schakelbungalows met het uiterlijk van een bunker – wansmaak is er nog een te ambiëren eigenschap bij.

Mijn depressie-to-be wordt onmiddellijk de kop ingedrukt met de omslagsnelheid van een borderliner, als ik aan kom lopen bij de volgende stempelpost: de Clemenspoort. En meer dan hartelijk wordt ontvangen, nee: onthaald, door de grote roerganger aldaar: Walter van Wouwe. Al bij aankomst zie ik aan het logo op de muur dat hier een professioneel bureau op ingeschakeld werd, de architectuur doet Italiaans aan (wat ook zo bleek te zijn) en de duizend latten (waarvan je er een kunt sponsoren) met het weggelaten kruis verraden conceptuele denkkracht.

Met de overtuigingskracht van Semco staat Walter buiten te vertellen: over maffia-achtige toestanden, de lobby, projectontwikkelaars, ‘interbellum-architectuur’, verdienmodellen en de 30 miljoen die er in het project ging, zonder op verlies uit te komen.

Zo.

Hoort.

Het.

Ook Walter is gelovig, een soms gezond twijfelende Redemptoristen-leek, maar wel één die met beide smaakvol geschoeide benen midden in de echte wereld staat. Als hij net zo charismatisch zieltjes wint of het Evangelie verkondigt als hij vurig over zijn kindje vertelt, heb je aan hem een goeie.

Hoewel: ‘zijn’ kindje? Da’s niet helemaal waar. Ook hij werd er toevallig aan het roer gezet, toen de voorvechter van dit project, broeder Guido, in het harnas stierf. Letterlijk. Op de laatste vergadering waarin het ‘wel-of-niet’ besluit zou vallen, liet hij het leven. Staande de meeting.

Het is ook niet voor nils dat zijn ‘lat’ tegenover een gedenkteken staat, met daarop Deuteronomium 24 – een Bijbeltekst over Mozes die zijn volk uit de woestijn naar Het Beloofde Land leidde, en niet verder kwam dan de aanblik ervan vanaf de berg Nebo. Ook hij zou het nooit betreden. Voor hij zijn voet kon heffen, was het #pats #boem #weg.

Zo gaat dat soms, met Echte Leiders – de weg is niet voor niks het doel.

Walter leidt ons niet voor de eerste keer als bezoekers door het pand, maar toch komt het zo over: zijn energie heeft nergens aan kracht ingeboet. Als een kind zo blij verhaalt hij. Over de kleuren van de kaars, het systeemdenken achter de Italiaanse designstoelen, de 100 vrijwilligers die aan 10 minuten briefing (één keer) genoeg hebben, over zijn inspiratiebronnen (o.a. Sinek & Covey), over de ultramoderne sensoren waarmee het gebouw is uitgerust en het aantal aanwezige bezoekers telt zodat de zelfvoorzienende energiebron zo effectief mogelijk verwarmt, over flexplekken (ook aan de kinderen is gedacht), de regiekamer waarmee gestreamed kan worden, het kruis in de kapel dat verwerkt is in de hoek en 100 lagen van betekenis heeft, over het glas-in-lood verhaal waarin zelfs een homo-koppel is opgenomen en over de kracht van zijn medewerkers, en de zoektocht naar zelfsturende teams. En ook: over zijn twijfel, zijn zoeken naar zin.

Het mooiste is zijn schets op de muur voor de toekomst van het pand, waarvan ik onmiddellijk zie dat-ie die alleen maar geknield heeft kunnen tekenen – zelf had-ie dat nog niet door.

En ja. Ja. Ja. Ook ik maak een mystiek moment mee. Een aparte hekel aan kerken hebbend, en hun dogma’s, hun institutionele arrogantie, stokt mijn adem in de ruimte hier. De lichtheid. De hoop. De liefde. Het perfectionisme, tot in het ultieme. Of aan de ruimte. Ook voor twijfel.

En: het ligt niet alleen aan de architectuur, het aanstekelijke vuur van Walter’s motivatie. Of de bezieling die ik er voel ronddwalen. Niet alleen aan de doordachtheid, het is geen trucje dat ‘van deze tijd’ heet.

Ik kan niet anders dan gaan zitten. En met een grote brok in mijn keel beseffen dat er ook iets aan het gebeuren is in mijzelf – op religieus, nou ja: in elk geval spiritueel gebied. Bescheidenheid, bewondering, devotie en respect is wat mij past daar – ondanks mijn ultrakritische grondhouding, dwangmatige haat richting systemen en rebelse inborst die zich al 40 jaar voornamelijk tegen God & gebod – vooral dat laatste – afzet.

Wat ik ook voel, is dat dit dé plek gaat zijn waarin ik ‘mijn’ oplossing voor dit schier onoplosbare probleem waarvoor ik meegevraagd ben, ga presenteren. Binnen afzienbare tijd, daar heb ik inmiddels geen 3 jaar meer voor nodig. Weet ik. Voel ik.

Waren we er dan? Voor die dag? Nee. Driewerf neen. Hoewel uitgeput (dit keer van hoop en positiviteit), ligt Brugge nog voor ons. Waar we op bezoek gaan bij iemand die in werkelijk geen één hokje te plaatsen is. Sterker nog: ik dacht dat ik lastig was, maar Sofie slaat alles.

Sofie is een halve non, die al haar hele leven rondbanjert in het religieuze landschap. Leerlinge van een beroemde Parijse rabbi, oprichtster van YOT, aanstichtster en voorvechtster van het vrije denken in de katholieke wereld (veelal tegen de keer in), uitbaatster van een kerk en een pastoriewoning, workshopleidster om groepen en organisaties te helpen de juiste (beeld)taal te vinden waarmee ze zich kunnen uitdrukken én eigenaresse van de leukste winkels van Belgie: Symposion – een winkel in woorden. Ja, letterlijk. Ga maar kijken, op die site.

Ondernemender kom ik ze zelden tegen. Want ik vergeet ongetwijfeld talloze activiteiten van haar, die langskwamen in de gesprekken die in straf tempo gevoerd worden als ze ons door Brugge leidt, van de ene plek die we moeten zien naar de andere. En nee: niet het toeristische deel, wat ik zeker ook nog eens moet zien – ze leidt ons langs plekken die voor haar betekenis hebben en waar wij iets aan hebben voor onze zoektocht. De liefde waarmee ze over haar collega’s praat is ongekend, de zorg die ze uitstraalt voor de toekomst van het Gedachtegoed waar zij ondanks haar kritische blik in gelooft voelbaar en ondanks dat woorden haar core-business zijn, heeft ze vooral een luisterend oor. En: aandacht voor anderen.

Als we na het diner nog even naar haar winkel lopen, ze wil ons coûte que coûte wat liefdevolle producten uit haar winkel meegeven naar huis, vertelt ze in de donkere straten van Brugge over de loodgieter uit haar straat, die de dakgoten van de prachtige pandjes repareert en restaureert. En die het niet kan laten om op elk dak dat door zijn handen ging, een vrolijk poppetje van lood achter te laten. Weer: niks over haarzelf – maar een ander in het licht zetten.

Als ik die avond kapot thuiskom in een B&B die verre als van thuis voelt, zie ik dat ze iets in het tasje heeft gestopt waarover ik ergens tussen neus en lippen door een opmerking had gemaakt. Dat het me raakte.

Een Geluksvogel.

Hoe treffend.

Want.

Dat.

Is.

Wat.

Ik.

Ben.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen