“Zeg, stel nou, hè…Ja, wat? Nou, dat je de 50 aantikt. Dat je het haalt. Wat zou je dan graag willen hebben?”

-.-

‘Hebben’(…)

Ik hou niet van ‘hebben’. Hebben, hebben? Ik heb alles al. Vooral: gehad. Gezien. Gedaan. Het aangeraakt. Er langs gescheerd. In handen gehad. Weer laten vallen. In duizend stukken.Eraan gesnuffeld. Me er van afgewend. Er in vergist. Het leeggedronken. Weggeflikkerd. Me erin verloren. Er ‘head first’ ingegaan. Bijna aan onderdoor gegaan. Gebruikt. Uitgewrongen. Gewogen, verloren, opgevangen, teruggekregen, de deur gewezen – de deur niet opengedaan.

Been. There. Done. That. De Goudkust. De Goot. De rand. Van de afgrond. De toppen – geloof me: vele malen hoger dan je ze zien kan. Door God gegeven Vergezichten, dagen die weken duurden. Dronken van liefde, gedreven door dadendrang – me wentelend in het licht. Allesomvattend Geluk, af en toe wel seconden lang. De zon. Op mijn gezicht. En soms zelfs: in mijn hart. Of in de lege krater van de plek waar dat hoort te zitten. Of ooit zat. Waar zo nu en dan tsunami’s van verdriet door razen. Of het kleinste zuchtje wind al irritant langs ruwe, bloedlekkende, ongehechte rafelranden schuurt. Een schaafwond die blijft prikken, maar waar je geen pleister opdoet – in de ijdele hoop dat het dan eerder, of ooit nog heelt.

Niks ernstigs, valt prima mee te leven. Maar weg gaat het nooit. Dan nog. Hebben betekent ook ‘houden’. En daar zit ‘m het probleem. Nou ja, bij mij dan. Niet gehecht. Dus dan blijf ik ook niet plakken.

Ik hou niet. Op warmte. Op veiligheid. Op onvoorwaardelijk. Op goedbedoeld. Er is altijd de rug tegen de muur. De blik op de deur. Eerst checken waar de uitgang is. Of het gras. Aan de overkant. Het onvermogen om hier te zijn. In het nu. Altijd maar daar. Morgen. Verder. Door.Of juist toen. En toen. En toen. En toen. Het ongeloof. De onmacht. De overmacht. Het tegen beter weten. Het je moest eens weten. De wankele en gladde trap waarop ik me staande hou, een stap vooruit, twee… – enfin, je kent het.

-.-

Is dat erg dan? Nee. Het is. Wenselijk? Ach. Ik zou liegen als. Als je in mijn hart zou kijken, en dat doe je, heb ik niets gemist. Maar voelt soms als een gemis. Soms, zei ik. Niet terug te kunnen kijken op een langdurig samenzijn dat het ‘for better and for worse’ een keer wist te doorstaan. En daar is het, laten we wel wezen, nu een tikkie laat voor. Het Huisje. Het Boompje. Het Beestje.

Ook dat is goed. Het is. Er zijn Andere Dingen Te Doen. Het seizoen kantelt langzaam, de herfst in, alle verzamelde wijsheid mag in andere aarde gaan vallen.Het al jaren stilaan aangelegde pad lonkt, fluistert, het ritselt daar – steeds dichterbij. De muzen wenken. Er moeten letters op papier, en veel ook. Kan ik mijn gevoelens nog érgens aan toevertrouwen – die waar ik in real life de woorden niet voor weet te vinden.

En dan. En dan. En dan.

Ik ben niet ongelukkig. Sterker nog. Ik ben De Rijkste Man Ter Wereld. Er is Ongelofelijk Veel Liefde. Twee Prachtige Vrouwen, allebei zó sterk, zó vol Liefde.

Twee – correctie: drie – Prachtige kinderen, zó slim, zó vol Leven. Ze waren er allemaal bij, vandaag. Eén. Grote. Familie.

Je kan het maar euh… hebben.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

Herbert filosofeert

Terug naar alle artikelen

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen

 

“Zeg, stel nou, hè…Ja, wat? Nou, dat je de 50 aantikt. Dat je het haalt. Wat zou je dan graag willen hebben?”

-.-

‘Hebben’(…)

Ik hou niet van ‘hebben’. Hebben, hebben? Ik heb alles al. Vooral: gehad. Gezien. Gedaan. Het aangeraakt. Er langs gescheerd. In handen gehad. Weer laten vallen. In duizend stukken.Eraan gesnuffeld. Me er van afgewend. Er in vergist. Het leeggedronken. Weggeflikkerd. Me erin verloren. Er ‘head first’ ingegaan. Bijna aan onderdoor gegaan. Gebruikt. Uitgewrongen. Gewogen, verloren, opgevangen, teruggekregen, de deur gewezen – de deur niet opengedaan.

Been. There. Done. That. De Goudkust. De Goot. De rand. Van de afgrond. De toppen – geloof me: vele malen hoger dan je ze zien kan. Door God gegeven Vergezichten, dagen die weken duurden. Dronken van liefde, gedreven door dadendrang – me wentelend in het licht. Allesomvattend Geluk, af en toe wel seconden lang. De zon. Op mijn gezicht. En soms zelfs: in mijn hart. Of in de lege krater van de plek waar dat hoort te zitten. Of ooit zat. Waar zo nu en dan tsunami’s van verdriet door razen. Of het kleinste zuchtje wind al irritant langs ruwe, bloedlekkende, ongehechte rafelranden schuurt. Een schaafwond die blijft prikken, maar waar je geen pleister opdoet – in de ijdele hoop dat het dan eerder, of ooit nog heelt.

Niks ernstigs, valt prima mee te leven. Maar weg gaat het nooit. Dan nog. Hebben betekent ook ‘houden’. En daar zit ‘m het probleem. Nou ja, bij mij dan. Niet gehecht. Dus dan blijf ik ook niet plakken.

Ik hou niet. Op warmte. Op veiligheid. Op onvoorwaardelijk. Op goedbedoeld. Er is altijd de rug tegen de muur. De blik op de deur. Eerst checken waar de uitgang is. Of het gras. Aan de overkant. Het onvermogen om hier te zijn. In het nu. Altijd maar daar. Morgen. Verder. Door.Of juist toen. En toen. En toen. En toen. Het ongeloof. De onmacht. De overmacht. Het tegen beter weten. Het je moest eens weten. De wankele en gladde trap waarop ik me staande hou, een stap vooruit, twee… – enfin, je kent het.

-.-

Is dat erg dan? Nee. Het is. Wenselijk? Ach. Ik zou liegen als. Als je in mijn hart zou kijken, en dat doe je, heb ik niets gemist. Maar voelt soms als een gemis. Soms, zei ik. Niet terug te kunnen kijken op een langdurig samenzijn dat het ‘for better and for worse’ een keer wist te doorstaan. En daar is het, laten we wel wezen, nu een tikkie laat voor. Het Huisje. Het Boompje. Het Beestje.

Ook dat is goed. Het is. Er zijn Andere Dingen Te Doen. Het seizoen kantelt langzaam, de herfst in, alle verzamelde wijsheid mag in andere aarde gaan vallen.Het al jaren stilaan aangelegde pad lonkt, fluistert, het ritselt daar – steeds dichterbij. De muzen wenken. Er moeten letters op papier, en veel ook. Kan ik mijn gevoelens nog érgens aan toevertrouwen – die waar ik in real life de woorden niet voor weet te vinden.

En dan. En dan. En dan.

Ik ben niet ongelukkig. Sterker nog. Ik ben De Rijkste Man Ter Wereld. Er is Ongelofelijk Veel Liefde. Twee Prachtige Vrouwen, allebei zó sterk, zó vol Liefde.

Twee – correctie: drie – Prachtige kinderen, zó slim, zó vol Leven. Ze waren er allemaal bij, vandaag. Eén. Grote. Familie.

Je kan het maar euh… hebben.

Delen is het nieuwe vermenigvuldigen